Leven en loven in het nieuwe jaar

“Laat mijn ziel leven en zij zal U loven.”
Psalm 119:175a

Het is een gebed om leven. Dat hebben wij allen nodig in het nieuwe jaar. Let op, de psalmdichter vraagt niet om stukken of kenmerken, want daarmee kan hij niets doen zonder leven. Wat heeft hij veel dingen gezegd in deze lange psalm. Kostelijke, geestelijke, eeuwige dingen. Maar hij vraagt bij het einde van dit alles om leven. Al deze waarheden zijn hem niets zonder zielenleven. Dan zijn ze hem dood en krachteloos. Het is alsof hij aan het eind van deze psalm wil zeggen: ik kom er niet verder mee, als er geen leven aan mijn ziel is. Hoe vaak wordt dit gebed vergeten door Gods kinderen. In hun dwaasheid zoeken ze liever vele kentekenen van het leven, om het met deze voorraad te kunnen stellen. En toch is er eigenlijk maar één kenteken, dat is het leven zelf. De psalmdichter wijst
hier de weg alsof hij zeggen wil: vraag maar veel om leven, want hoeveel er ook mag zijn, met een dode ziel is er geen nut van. Evenmin als een dood lichaam gevoed kan worden met de kostelijkste spijze, zo min kan een dode ziel gevoed worden met de zaligste dingen. Daarom vraagt de dichter maar om één ding, om leven. Dit gebed is op zichzelf al een teken van leven. Het is een bewijs, dat hij het met ‘gestorven’ weldaden niet kan doen. Zij zijn voor
hem de dood geworden. Voor een dode is alles dood. En kunstmatige ademhaling baat hier niet meer. Waar het leven
eruit is, daar kun je het er niet meer inpraten. Bij al de zalige waarheden van Psalm 119 moet hij in het leven gehouden worden. Anders is de zaligheid er uit. Zonder leven is er geen smaak. En dat leven is er nu, of het is er niet. Je kunt het niet maken als het er niet is, je kunt het niet ontkennen als het er wel is. Och waren we eens wat meer uitgepraat. Want er zoveel eigen gemaakte apparaten van een kunstmatige ademhaling van de ziel om de stand nog wat op te houden voor God en voor de mensen. In het verlies daarvan zou de dichter beter verstaan worden in zijn bede om leven en er zou minder verlopen munt in de zak rammelen. Want de kerk van God blijft te kampen hebben met de dodigheden van hun eigen ziel. Ze blijft in zichzelf dood-arm, arm aan leven, als het van boven niet
gegeven wordt. En wat gebeurt er dan als dat leven leeft? Dan wordt de Heere groot gemaakt. Zoals de dichter zegt: “Dan looft mijn mond.” Zeker, eigen zaligheid wordt er bij ingesloten, maar er is geen zaligheid die niet in God eindigt. Dat leven is uit God en keert tot God terug. Dit laatste gaat vanzelf, waar het leven wordt gekend. Leven en loven, dat zijn twee onlosmakelijke dingen. Uit het eerste volgt het tweede. Zo klein kan het leven niet zijn, al staat het in het eerste begin, het moet altijd God loven in Zijn deugden. Zelfs in het ontdekkende leven wordt God geprezen in de deugden van Zijn recht en heiligheid. Het leven spreekt altijd en immer van God. In dat leven gaat de mens weer wat voor zijn Schepper betekenen. Want dit is toch zijn geestelijke dood, dat hij dood is voor God. Maar in het leven vraagt hij toch weer naar God. En daarin wordt God verheerlijkt en groot gemaakt. Dat is het dan
ook alleen wat eigen zaligheid insluit en daaruit vloeien de kenmerken van het leven voort. Daarin wordt een ziel gebracht op de leerschool van het leven. Het leven is er om te loven. De Heere roept Zijn volk in het leven Hem te loven. Waar dat loven wordt gemist, daar is gebrek aan leven. Hoe is het met uw leven en loven gesteld? Bent u levend of bent u dood? Dat we dan de dichter begrijpen, die voor alle dingen om het leven bad.
Wijlen ds. F. Bakker

JEZUS GROOT?

Deze zal groot zijn…’
Lukas 1:32a

Wat willen wij mensen toch graag groot zijn! Bij kinderen zit het er al vroeg in. Ze kunnen naar hartelust dromen over hun toekomstig beroep bijvoorbeeld. Dat is een normale zaak. Toch is de drang om groot te zijn lang niet altijd onschuldig. Er speelt vaak zoveel zelfverheffing doorheen, zoveel begeerte naar rijkdom, macht en aanzien. Onze zonde en ellende is er mee begonnen dat we groot wilden zijn, ja als God wilden zijn. Uiting van vreselijke hoogmoed! Opmerkelijk is dat onze tekst van de komende Verlosser zegt: ‘Deze zal groot zijn.’
Klopt dit wel?
Maria heeft hoog bezoek gekregen. De engel Gabriël staat plotseling in haar kamer. Hij groet haar uitbundig. Hierdoor raakt Maria diep ontroerd. Dan zegt de engel: ‘Vreest niet, Maria, want gij zult bevrucht worden en een Zoon baren en zult Zijn naam heten Jezus. Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden.’ Wat een geweldige boodschap! Veel stof om over na te denken voor Maria. De grote Koning, de beloofde Zaligmaker, zal geboren worden. Maar klopt het wel dat Deze groot zal zijn? In ieder geval is er op dit moment niets van grootheid te bespeuren. Nazareth is een onbetekenend gehucht. Maria is een eenvoudig meisje, dat in een eenvoudig huis woont. Straks, bij de geboorte van Jezus, is alles uiterst eenvoudig: de stal, de schamele doeken, het kraambezoek van de herders (mannen aan de rand van de samenleving). Ook tijdens Zijn omwandeling op aarde ontbreekt het Hem aan
grootheid: geen plaats waar Hij het hoofd kan neerleggen. Aan het kruis sterft Hij een schandelijke en smadelijke dood. Wat een pijnlijk raadsel heeft Maria toen moeten verwerken! Bovendien zijn Jezus’ volgelingen eenvoudige mensen zonder enige invloed. De troon van David is net hersteld in Israël, toen niet en nu niet. Er lijkt niets van terechtgekomen te zijn van de belofte dat Jezus groot zal zijn.
Ten volle waar
Toch, ondanks de schijn van het tegendeel, zijn de woorden van de engel waarheid. Jezus is inderdaad groot geworden. Juist doordat Hij vrijwillig klein en gering wilde worden. Hij kwam op aarde om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. En met dat werk gaat Hij nog altijd door. Wat schittert Zijn liefde en macht hierin uit! Er zijn door de eeuwen heen miljoenen mensen gekomen die Jezus als hun Verlosser leerden kennen en erkennen, lief krijgen en aanbidden. Een bewijs van Zijn onvergetelijke grootheid. Ook nu zullen er mensen komen die Jezus hun heil, hun hoogst geluk beschouwen en die Hem belijden als hun Heere. Hij is een groot Koning, die zonder onderdanen niet zijn kan. Aan Zijn Koningschap zal geen einde zijn. En welke vorsten ooit het aard’rijk moog’ bevatten, wie van hen is met deze grote Koning gelijk te schatten?
Zo laat Hij Zich kennen
Als deze grote Koning met Zijn Geest in ons leven komt, leren we met een verbroken hart voor Hem buigen. We gaan dan ook de grootheid van Koning Jezus ontdekken. Onze ogen en ons hart gaan voor Hem open. We leren zien hoe groot Zijn ontferming is voor onwaardigen. We gaan beseffen hoe groot Hij is in Zijn geduld en in Zijn trouw. Wat is Hij groot daarin dat Hij voor de zondeschuld van Zijn volk eenmaal betaald heeft! En wat groot is Hij dat Hij ons reinigt van onze dagelijkse zonden. Groot is Hij ook omdat Hij verloren schapen terugbrengt naar de schaapskooi. Groot is Hij als Voorbidder van arme zondaren die in zichzelf geen enkele waardigheid of pleitgrond overhouden. Groot is Hij om verdorven mensen te vernieuwen naar Zijn beeld. Groot is Hij om zwakke mensen te sterken in de strijd tegen de zonde, de duivel en de wereld. Groot is Hij om al de zijnen door lijden heen tot heerlijkheid te
brengen. Als u deze grote Koning zó mag kennen, roem dan toch in Hem en prijs Hem aan bij anderen. Als u nog altijd aan Hem voorbijging, val Hem vandaag nog te voet! Dan zal Hij grote dingen bij u doen. Als u aangevochten wordt of Hij uw schuld vergeven wil, heb dan grote en goede gedachten van de grote Verlosser. Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht voor elk die wonderen van Hem verwacht.
En straks
We vieren binnenkort Kerstfeest. Dan zien we terug op de eerste komst van de grote Koning, maar we zien ook vooruit naar Zijn wederkomst in majesteit en heerlijkheid. Dan zal Zijn grootheid duidelijk openbaar komen voor vriend en vijand. Tot u en jou en mij komt de klemmende vraag: wie zal op de grote morgen juichen om Zijn heerlijkheid? Maar ook: wie zal op die grote morgen vluchten voor Zijn majesteit?
Ds. W. van Sorge

DAARNA

“…en daarna zult Gij mij in Heerlijkheid opnemen”
Psalm 73:24b

Gelukkig de mens die na dit leven iets te verwachten heeft. Voor wie het beste nog komt. Gelukkig de mens die met Asaf mag ingaan in Gods heiligdom, waar Gods verzoende gemeenschap in Christus in het geloof gesmaakt mag worden. Om vervolgens met Asaf mee te zingen in het lied van de hoop op een heerlijkheid die alle verwachtingen nog oneindig ver zal overtreffen. “En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.” En daarna! Dat betekent dus dat er aan die opneming in heerlijkheid wat voorafgaat. Wat gaat eraan vooraf? Een leven vol moeite en strijd. Een strijd op leven en dood met de aartsvijanden van God en Zijn volk: satan, wereld en eigen vlees. En in die strijd zo talloos veel teleurstellingen en nederlagen. O nee, dat betekent niet dat de dienst des Heeren geen goede, geen schone, geen heerlijke dienst zou zijn. Ondanks al dat verdriet en al die teleurstellingen en nederlagen en aanvechtingen en donkerheid ervaren allen die de Heere vrezen dat het goed is om de Heere te dienen, dat in het onderhouden van Gods geboden een groot loon is, dat Gods goedertierenheid beter is dan het leven, dat Gods inzettingen gezangen voor hen zijn in het land van de vreemdelingschap. En ondanks alle moeite en verdriet belijden ze het van harte:
“Heere, het is toch waar: Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten!” Maar toch: als er eens geen “daarna” zou zijn… We denken aan het woord van de apostel: “Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.” O ja, welgelukzalig is het volk welks God de Heere is! Maar welgelukzalig is dat volk toch juist omdat het, een heel leven van strijd en moeite overziende, met Asaf mag instemmen: “En daarna!” Gij zult mij leiden door Uw raad. En in Uw heerlijkheid opnemen. Als ik Uw raad hier op aarde heb uitgediend, o God! Daarna! En dan ook: terstond daarna! Van de aarde naar de hemel. Uit het land der vreemdelingschappen bij U thuiskomen, Heere. Ik zal dan gedurig bij U zijn, Heere Jezus. Die mij kocht met Uw bloed. En dan nooit meer van U
afdwalen. En dan met Uw Naam op mijn voorhoofd, U dienen in de hemelse tempel. Als mens Gods, tot alle goed werk volmaakt toegerust! Dat “daarna” getuigt van een vaste onbedrieglijke hoop. En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Zult! Het is geen onzeker “misschien” ! Asaf weet het zeker. God heeft zijn rechterhand gevat. En God verlaat niet wat Zijn hand begon. Asaf gelooft het met stellige kennis en in hartelijk vertrouwen.
Gij zult mij leiden door Uw raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. God wordt verheerlijkt door het geloof, dat verzegelt dat God waarachtig is. En wij? O ja, op elk mensenleven volgt een “daarna”. Het is de mens
gezet eens te sterven en daarna het oordeel. En wanneer wij hier dan almaar blijven volharden in onbekeerlijkheid zal het “daarna” zo vreselijk zijn….Maar welgelukzalig is het volk dat “het geklank” kent! Ondanks alle strijd en aanvechting: Verhogen! Opnemen! En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen! Wat dunkt u, strijdende, soms wonder-blijde, soms bang-zuchtende pelgrim? Toe, zing het weer eens, het zal u goed doen:
Maar ’t vrome volk in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wens verkrijgen
Hun blijdschap zal dan onbepaald
Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt
Ten hoogste toppunt stijgen.
En dat eeuwig!
Wijlen ds. M. Vlietstra

Sola scriptura

Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
Jeremia 23:29

Over enkele weken zullen wij de kerkhervorming herdenken. Dan staan we stil bij het feit dat Luther, Calvijn en vele anderen met hen opnieuw de kracht van het Woord van God ontdekten. En zij aarzelden niet om de kerk van die dagen op te roepen naar de Schriften terug te keren. De Schrift is immers alleen de bron en norm voor geloof en leven – Sola Scriptura! Wat dat betekent, kan deze korte beeldende tekst ons duidelijk maken. In dit gedeelte heeft Jeremia het over de valse profeten. Om duidelijk te maken wat hen eigenlijk bezielt, vergelijkt hij de valse met de ware profetie. Die vergelijking scharniert om twee punten. In de eerste plaats is het kenmerkende van de valse
profeten dat ze dromen dromen en die vervolgens aan de mensen vertellen alsof het openbaringen van God zijn. Maar wat ze zeggen heeft niets met het Woord van God te maken. Het zijn de spinnenwebben die ze uit hun eigen gedachten geweven hebben, of van elkaar hebben gestolen! En dat blijkt uit het tweede scharnierpunt dat Jeremia hier naar voren brengt. Omdat het hier alleen maar gaat om de woorden die de mensen verzonnen doen ze ook niets. Ze lijken niet op de ware profetie, die de kracht heeft van een laaiend vuur of van een mokerslag die een steenrots verbrijzelt. Zodoende hebben de valse en de ware profeten niets met elkaar te maken. Ze verschillen net zoveel als het koren van het stro zegt de profeet in vers 28. Misschien denken we dat deze vergelijking ons weinig te zeggen heeft. We kunnen immers niet zomaar een “ is-gelijk” teken zetten tussen de profeten van het Oude Testament en de
predikanten of gemeenteleden vandaag? Inderdaad. Maar toch zijn er wel lijnen te trekken van de profetie naar de gemeente van het Nieuwe Testament. Want al zijn we dan geen profeten, God heeft ons wel Zijn Profetische Woord toevertrouwd. En hoe gaan we daarmee om? We kunnen onze eigen dromen en denksystemen over de Schrift heen leggen en zo het Woord van God zelf tot zwijgen brengen. Het is mogelijk dat we alleen naar de aspecten van het Schriftgetuigenis willen luisteren die we zelf graag willen horen en zo het Woord krachteloos maken. Dan schuiven we – misschien zonder het te beseffen – heel ver in de richting van de valse profetie waarover Jeremia het heeft.
En laten we maar niet denken dat dit gevaar alleen maar dreigde in de tijd van deze profeet, of in de ‘donkere’
Middeleeuwen. Neen, het is er óók vandaag, ook onder ons! Weet u wat we daarom nodig hebben? Met een variant op de bekende uitdrukking van Calvijn zouden we het zo kunnen zeggen: een voortdurende bekering tot ‘leerzaamheid’. Dat wil zeggen: een bekering om steeds weer te luisteren naar het Woord van God alleen, én naar het volle Woord van God! En wie zó luistert, en zó leest, ontdekt ook dat het waar is: het Woord van God is een vuur… Het doet de kilte van ons gesloten dichtgevroren hart smelten. Onder dat Woord gaan harten branden in verlangen en liefde tot de Heere… En als een kind van God langs moeilijke wegen gaat, dan gaat het Woord als en vuurkolom vooruit door de woestijn. Het Woord is ook een hamer die de hardste rotsen verbreekt, de moeilijkste knopen in ons leven en denken ontwart. En als de Kerk van Christus in de woestijn dreigt te versmachten, slaat de hamer van het Woord de rotsen stuk, zodat zij kan drinken van de stromen van Levend Water… Laten we bij de reformatieherdenking bidden om de krachtige doorwerking van het profetische Woord in ons leven, en laten we steeds weer de ‘profetische ‘ luisterhouding zoeken: “Spreek Heere, want uw knecht hoort…!
Prof. dr. A. Baars

Verlangen naar Gods Huis

‘Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des HEEREN….’
Psalm 84:3a

Wat kunnen we na de vakantie weer naar ons eigen huis verlangen. Het spreekwoord zegt: “Oost west, thuis best.” De dichter van Psalm 84 verlangt naar Gods huis. Hij heeft een vurig verlangen naar de Heere. Hij wil Hem zo graag ontmoeten in Zijn huis.
Gewekt verlangen
Dat is niet vanzelfsprekend. Integendeel! Van huis uit haten we
God en de naaste. We kunnen en willen niet anders. En het erge is dat wij er nog niet eens last van hebben. Tenzij genade in ons leven verheerlijkt wordt. Ja, als de liefde van God in ons hart wordt uitgestort, krijgt de Heere de eerste plaats in ons leven. Dan beminnen we ook Zijn huis. Dan ademen we op in Gods huis, waar de bediening van de verzoening plaatsvindt. Dan mag het bij tijden ervaren worden dat de Heere Zelf in de prediking meekomt. Dat Hij heilig is wonende onder de lofzangen Israëls (Ps 22:4). Geen wonder dat er dan doordeweeks wel eens verlangd wordt om de voorhoven des HEEREN in te treden. Wat zijn we leeg en arm als we alleen maar leven voor ons eigen huis en goed. Wat zijn we te betreuren als er bij ons geen oprecht verlangen naar de Heere en Zijn huis is. Dan kunnen we wel trouwe kerkgangers zijn, maar ons hart is niet gericht op de Heere en Zijn dienst. Het zegt ons ten diepste niets. O, zou het dan niet de hoogste tijd worden om te vragen of de Heere dat verlangen naar Hem wil geven? Vraag erom! Hij wil erom gebeden zijn.

Vurig verlangen
De dichter is geen mens die niet warm loopt voor de dienst van de Heere, het is niet iemand die in de dienst verveeld om zich heen zit te kijken. Slapen in de dienst is er niet bij. Praten onder het zingen – zoals dat wel gedaan wordt – het zou hem bedroeven. Bedroeven want de Heere wordt niet geëerd. Makkelijk thuisblijven is iets wat hij verafschuwt. Hij wil zijn waar de HEERE woont. Heel zijn leven concentreert zich op de voorhoven van de HEERE en de plaats waar God woont. Als hij heeft uitgezongen dat de woningen van God lieflijk zijn, blijft het verlangen
branden in zijn hart, hij roept het uit: “Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven van de HEERE. “Mijn ziel verlangt…..Hij verlangt naar Gods nabijheid en gemeenschap. Hij kan het bijna niet meer uithouden. Hij staat als het ware in brand voor zijn God. Er zijn mensen die begeren hartstochtelijk naar zaken van
materiële waarde. De dollartekens staan bij wijze van spreken in hun ogen. Zij dromen van goud en geld. Andere zijn vervuld met seksuele hartstocht die brandt in hun ogen. Hiervan geldt: “Gij zult niet begeren”. Maar de begeerte van de dichter is van hoger gehalte. Hij is vol van verlangen om de Heere in Zijn huis te ontmoeten. Zoals dit ook bij de dichter van Psalm 27 herkenbaar is: “Eén ding heb ik van de HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns leven mocht wonen in het huis des HEEREN, om de lieflijkheid des HEEREN te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.”
Herkenbare trek dus bij hen die de HEERE vrezen. Is dit begeren, dit vurig verlangen er bij u, bij jou? Wellicht was het vroeger zo, maar moet u nu belijden dat er zo’n dorheid bij u gevonden wordt, O, klaag dan uw nood uit voor God, voor de levende God. Hij is machtig en gewillig om u uit deze dorheid te verlossen. Maar die zondige begeerten dan? Daar weet de Heere wel raad op. Hij kent uw verdorven hart. Eeuwen geleden reeds heeft Hij de belofte van de verzoening van de zonden laten verkondigen en zelfs in tabernakel en tempel laten zien. Denk aan het brandofferaltaar. Vergeet vooral niet dat onder het Nieuwe Testament Gods Zoon die zonde heeft verzoend. Ja, Zijn hart was vol begeerte om zondaren van hun boze onreine begeerten te verlossen. Door de Heilige Geest wil Hij u in Zijn verlossende genade doen delen. Vraag erom!
Volmaakt verlangen
Er is slecht Eén die volmaakt verlangde naar God, Zijn Vader. Hij werd verteerd in de dienst van God. Hij die zonder zonde is, is “opgebrand” in de dienst van God. Hij sprak uit: “De ijver van Uw huis heeft mij verteerd.” Zó beantwoordde Hij in alles aan de wil van God. Zó voldeed Hij aan Gods recht, zodat zondaren vol onreine begeerten door Hem met God verzoend kunnen worden en oprecht verlangen kunnen ontvangen naar de Heere en Zijn huis. Daarom is er geen geldig excuus voor blijvende
afkerigheid en lauwheid.
Daarom: Vraagt naar de Heer en Zijn sterkte….Zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.
En: Ga met vreugde in ’t huis van God.
Ds. G.J. Capellen

Reis advies

“..waardiglijk het Evangelie van Christus…”
Filippenzen 1:27a

De apostel roept de Filippenzen op tot een wandel “waardiglijk het evangelie van Christus. Hij gebruikt het woord “waardiglijk” nogal eens. Zo bidt hij de Efeziërs, dat zij toch wandelen zouden “waardiglijk de roeping waarmede zij geroepen waren .” En de Kolossenzen, dat zij mochten wandelen “waardiglijk de Heere. “ Hij vermaant de Thessalonicenzen te wandelen “waardiglijk Gode, die hen riep tot Zijn koninkrijk en heerlijkheid. “Voor koning Agrippa zegt hij, dat hij de heidenen verkondigt, dat zij zich zouden beteren en bekeren, “werken doende, der
bekering waardig.” Wanneer we al deze uitspraken van de apostel met elkaar vergelijken, dan wordt het ons duidelijk, dat hij met een wandel “waardiglijk het evangelie van Christus” bedoelt: een wandel, zoals toch verwacht mag worden van hen, die de heerlijke beloften van het evangelie ontvangen hebben; van hen, die delen in dat onuitsprekelijke heil, dat door het evangelie wordt verkondigd. Kortom: een wandel, waardiglijk het evangelie van
Christus” is een wandel zoals het evangelie die eist van zijn belijders en van de burgers van het koninkrijk van God; een wandel die overeenkomt met de reinheid, de hoogheid en de heiligheid van het evangelie van Christus.
En zo’n wandel acht de apostel zo belangrijk, ja onmisbaar, dat hij het de Filippenzen met al de drang van zijn ziel op het hart bindt: “alleenlijk, wandelt waardiglijk het evangelie van Christus!” En diezelfde vermaning moet vandaag nog met dezelfde ernst en nadruk worden gebracht. Want dat wandelen, waardiglijk het evangelie van Christus, laat doorgaans veel te wensen over. Dat leven in de tere vreze van God, in ootmoed en nederigheid, in zelfopofferende liefde, zoals het evangelie ons voorhoudt en ons in Christus, het vleesgeworden Woord, volmaakt voorstelt,
wordt zo weinig, zo bitter weinig in de praktijk gebracht. En toch; wij weten het en de ervaring leert het ons; waar zulk een wandel ontbreekt, daar heerst de dood; waar zulk een wandel wordt verwaarloosd, daar kwijnt het leven; waar zulk een wandel wordt nagejaagd, daar wordt God verheerlijkt en Zijn kinderen genieten er zelf de vrucht van, namelijk Gods gunst. Waar een wandel, “waardiglijk het evangelie van Christus”, ontbreekt, daar heerst de dood. De eerste kenmerken en duidelijkste kenmerken van het nieuwe leven is toch de lust om de Heere te vrezen, om te wandelen “waardiglijk het evangelie van Christus.” En daarom, bij wie niets van deze wandel te bespeuren is, daar is nog die geestelijke dood, “want het is onmogelijk, dat wie Christus door een oprecht geloof is ingelijfd, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.” Waar een wandel “waardiglijk het evangelie van Christus” verwaarloosd wordt, daar kwijnt het leven. Er wordt veel geklaagd over een ingezonken geloofsleven bij Gods kinderen.
En veelal terecht, denk ik. Maar hoe komt het? Daar kunnen verschillende oorzaken voor zijn. Maar de belangrijkste oorzaak is ongetwijfeld dat de wandel “waardiglijk het evangelie van Christus” maar al te zeer verwaarloosd wordt. En waar de Heere zelf verband heeft gelegd tussen een godzaligheid en zaligheid, daar kan het niet anders of een slordige levenswandel doet het leven kwijnen. Als de voet niet volwaardig loopt op het pad van Gods geboden, dan komt er een dorheid en donkerheid over de ziel. Maar waar een wandel, “waardiglijk het evangelie van Christus”
wordt nagejaagd, daar wordt God verheerlijkt en Zijn kinderen genieten er zelf de vrucht van, namelijk de gunst van God. Het eerste is het hoogste en het grootste; dat Gods eer bevorderd wordt. Maar het is toch ook onzegbaar groot, om Gods gunst te mogen ervaren. “Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.” Die Uwe wet beminnen, hebben grote vrede en zij hebben geen aanstoot”. Uw liefdesdienst heeft mij nog nooit verdroten. Zou een
godvruchtige levenswandel ook niet de beste aanbeveling zijn voor het evangelie? Zou onze naaste er niet door gesticht worden en onder Gods zegen voor Christus gewonnen worden? Dat ons gebed dan mag zijn:
Leer mij naar Uw wil te handelen,
Ik zal dan in Uw waarheid wandelen,
Neig mijn hart en voeg het saam,
Tot de vrees van Uwe Naam.
Wijlen ds. M. Vlietstra

Een onmisbaar kennen.

“En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods”   Efeze 3:19

God maakt andere, nieuwe mensen. Hij doet dat van binnenuit. Door de wedergeboorte. Een hater wordt een liefhebber, een vijand een vriend, een biddeloze een bidder. U ziet dat bij Paulus. Eerst een hater, een vijand en een
biddeloos mens. Toen door Gods werk in Paulus een bidder, een vriend, een beminnaar van de Heere, een verbreider van Zijn eer. Door datzelfde werk van God in Paulus werd hij nu ook een voorbidder voor anderen. Een kostelijke zaak! Hij, de gevangene van Jezus Christus in Rome, buigt zijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus, en hij bidt of de Efeziërs mogen bekennen de liefde van Christus. De liefde van Christus ziet u in het Evangelie. Dat straalt die liefde uit. Het spreekt van Zijn komen uit de hemel op deze aarde, van Zijn arm-worden, van Zijn ons-in-alles-gelijkgeworden, van het Zich laten leiden als Lam ter slachting, van het dragen van het kruis, van het Zijn ziel geven tot een schuldoffer. Hij heeft Zichzelf gegeven, overgegeven aan vloek en dood. Overgegeven niet voor vrienden en rechtvaardigen, maar voor vijanden, goddelozen en onrechtvaardigen. Niet gedwongen, maar vrijwillig. Omdat Hij liefheeft. Die liefde bekennen, dat is meer dan kennen of weten of belijden. U kunt op een zomerse dag in de schaduw de warmte van de zon op een thermometer aflezen. U weet dan hoe warm het is. Maar het is wat anders om in de gloed van de zonnestralen zelf te zijn, dan weet u door ervaring hoe warm het is. De liefde van Christus bekennen dat is die liefde ervaren. Door die liefde gebroken te worden en wenend aan Zijn voeten te komen, om Zijn liefdeshand te mogen voelen op het  zondaarshoofd, om Zijn liefdesstem te horen: Mijn zoon, Mijn dochter, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven; Ik heb Mijzelf in uw plaats gegeven; Ik voor u , daar gij anders de
eeuwige dood had moeten sterven. O, wat is er toch veel kracht in het ongeloof om staande te blijven tegenover zoveel liefde. Wat kan het ongeloof toch koud redeneren: heeft Hij ze dan allen liefgehad? Paulus weet wat het ongeloof vermag. Vanuit zijn eigen leven. Vanuit zijn ervaring als dienaar van het Evangelie van Jezus Christus.
Vandaar dat hij God bidt of de Efeziërs mogen bekennen de liefde van Christus. Die liefde gaat de kennis te boven. Niemand raakt daarin ooit uitgestudeerd. Het kennen blijft altijd ten dele. Nooit kan ons verstand deze liefde omvatten of doorgronden. Zo groot is deze liefde. Wat David zegt omtrent Gods alomtegenwoordigheid en
alwetendheid, moet ook hier gezegd worden: “De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.”
Wie zichzelf leert zien in de spiegel van Gods wet, wie zich zondaar weet, wie zichzelf kent in zijn vijandschap tegen God en Christus en de liefde van Christus bekent, die kan hoogstens in zijn aanbidding stamelen: waarom, waarom, o Heere, hebt Gij mij liefgehad? Het enige antwoord daarop is: vanwege de eeuwige, vrije, verkiezende liefde van Mijn Vader; en dat gaat de kennis dan helemaal te boven. Slechts verwondering over dat wat niet te begrijpen is.
Het bekennen van de liefde van Christus heeft een heerlijk doel. Het geeft een kostelijke vrucht, het vervuld worden tot al de volheid van God. Vervuld zijn we dan van nature ook wel. Vervuld met de dingen van het leven, met zijn zorgen en met zijn genietingen. Vervuld met de gedachten aan de zonde, vervuld met het bedenken van het vlees, dat vijandschap is tegen God. Maar uiteindelijk – wat zijn we leeg. Een lege ziel, een leeg hart, een leeg leven. Een leegheid die ons zo verschrikkelijk arm doet zijn, arm aan echt geluk, ware blijdschap, arm aan ware kennis van God.
Dan pas echt worden we van lege vol, als de volheid die bij God is, in ons komt. De volheid van de genadegaven, van
genadewerkingen, van genadekrachten. Een volheid, dit wil zeggen het is teveel om op te noemen. Wie de liefde van
Christus bekent, komt niet tot wanhoop als hij al meer ontdekt wordt aan de verdorvenheid van het hart, aan het zwaar en menigmaal overtreden hebben, aan zijn liefdeloosheid en ontrouw, als de satan zijn pijlen afschiet, als satan opeist, als het geweten aanklaagt en veroordeelt. Wie de liefde van Christus bekent, wordt vervuld met
vertrouwen op Zijn liefde, die niet loslaat. Wie die liefde van Christus bekent, wordt vervuld met lijdzaamheid, die bevinding en hoop werkt, en hoop die niet beschaamd wordt. Wie de liefde van Christus bekent, krijgt God, Die Christus gegeven heeft, hartelijk lief, en Zijn wil en Zijn wet. Wie de liefde van Christus bekent, wordt vervuld met liefde tot medezondaren. De nood van anderen wordt mijn nood. Hun lijden, mijn lijden. Hun zuchten, mijn zuchten. Wie de liefde van Christus bekent, wordt vervul met de vertroostingen van de Heilige Geest.
Vertroostingen van de vergeving van de zonde, van de gemeenschap met God, de Vader, vertroostingen van eeuwige
zaligheid. Ach, werd de liefde van Christus vandaag maar meer bekend. Rijke vruchten zijn daaraan toch verbonden. Hoe zou het er anders uitzien. Tweedracht en ruzie vluchten weg. Zelfs van de gezichten zou spoorloos verdwijnen al het ongenoegen, wrevel, haat en nijd. Laten we toch met de apostel Paulus meebidden het gebed tot de Vader van onze Heere Jezus Christus. Hoe we de liefde van Christus leren bekennen? In de schaduw van Zijn kruis, in het aanschouwen van Zijn enige offerande. Daar te staan beladen met de zonde en met de schuld van de zonde. Daar te staan, met een leeg hart, een leeg hart dat door niets anders meer te vullen is. Bid met de apostel Paulus dat de
Vader van onze Heere Jezus Christus u daar brengt. Bid zonder ophouden, want het bekennen van de liefde van
Christus is onmisbaar. O, als dit gemist wordt, dan zullen we straks moeten bekennen de toorn van het Lam; de toorn, omdat we zijn staande gebleven tegenover Zijn liefde.
Wijlen ds. P. van Zonneveld

Met Christus opgewekt.

“INDIEN GIJ DAN MET CHISTUS OPGEWEKT ZIJT..”
Kolossenzen 3:1a

De apostel Paulus heeft Kolosse waarschijnlijk nooit bezocht. Toch heeft hij met de gemeente van de Kolossenzen een intense band. Hij gedenkt hen in zijn gebeden. Hij heeft reden tot dank, “alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben en van de liefde die gij hebt tot alle heiligen, om de hoop die u weggelegd is in de hemelen” (Kol 1:4 en 5). Er is dus veel goeds van hen te getuigen. Midden in zijn brief brengt de apostel onder woorden wat het geheim van deze gemeente is. Althans van kennelijk zovelen van de Kolossenzen dat de apostel er de gemeente in haar totaliteit mee aanduidt: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt..” We moeten oppassen voor het misverstand als zou de apostel hier volstaan met een veronderstelling, als zou hij bedoelen: “mocht dat zo zijn…” of “als dat dan zo is…” Nee, hij bedoelt hier: “nu gij dan met Christus bent opgewekt..” Het is voor hem een vaststaand feit dat de Kolossenzen levend gemaakte mensen zijn. Hij twijfelt er niet aan. Uit wat hij van hen gehoord heeft, weet hij het: het zijn daar in Kolosse ware gelovigen. Door genade zijn ze ontrukt aan de macht van zonde en dood; ze delen in het nieuwe leven dat in Christus Jezus is geschonken. In hun leven is Christus geopenbaard tot zaligheid. De opstanding van de Heere Jezus is door genade aan hen ten goede gekomen. Zijn opstandingsleven is hun opstandingsleven. Ze zijn uit hun natuurlijke doodsstaat met Christus opgewekt. Let vooral op dat “met Christus”, dat Paulus onder woorden brengt. Er is voor hem geen geestelijk leven dan het leven met en in Christus. Onwillekeurig roept deze
uitdrukking een Oudtestamentisch beeld op. Dat van de hogepriester. Deze vervulde zijn hoge functie voor Gods
aangezicht in het heiligdom. Niet als privé-persoon, maar als  vertegenwoordiger van het volk. Met het oog daarop droeg hij de borstlap met de twaalf edelstenen. Op die stenen waren de namen van de stammen van Israël gegraveerd. Hij droeg het volk op het hart. De godvrezende Israëliet besefte het: “Als de hogepriester het heiligdom binnengaat, dan is hij daar namensmij. Dan ben ik daar met de hogepriester, voor het aangezicht van de heilige God. En alleen zo kan ik voor Hem bestaan!” In veel hogere zin geldt dat de Heere Jezus. Hij deed Zijn werk in naam van al de Zijnen. Hij droeg en draagt ze allemaal mee, op Zijn hart. Waar Hij is daar zijn zij ook. En daarom: toen de
Heere Jezus stierf, toen zijn Gods kinderen met Hem gestorven, gestorven aan hun eigen verdorven ‘ik’. Toen Hij
begraven werd, toen zijn ze met Hem begraven. Toen Hij uit het graf verrees, toen zijn ze met Hem opgewekt, opgestaan uit het graf van hun zonde en begiftigd met Zijn opstandingsleven. En zelfs: toen Hij ten hemel voer, toen zijn ze met Hem in de hemel gezet. Wat ligt hun zaligheid vast! “Ik ben door de wet aan de wet gestorven”, schrijft de apostel ook in een andere brief. “Ik ben met Christus gekruist en ik leef. Doch niet meer (mijn) ik, maar Christus leeft in mij..” Mijn lezer, kunt u het de apostel nazeggen? Kent ook u door genade dit diepe geheim? Bent u er toch wel van overtuigd dat in de vereniging met Christus alles ligt wat u nodig hebt, voor tijd en eeuwigheid?! Als u niet door een waar geloof aan Hem verbonden bent, dan bezit u geen zaligheid en geen gerechtigheid en geen heiligheid. Korter gezegd: geen verlossing van het verderf. Als u niet in Hem bent, als u niet, in beginsel, met Hem bent
gestorven aan de zonde en niet met Hem bent opgestaan tot een nieuw leven, dan is uw godsdienst niet de ware godsdienst en zult u niet delen in de ware vrede. Hoe zal ik het weten? In ieder geval ook hierin: het zal uit de
vruchten blijken. Want zo zegt de apostel: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn”.
Ds. J.M.J. Kieviet

De dood geëist

“Naar onze wet moet Hij sterven”
Johannes 19:7

Tot driemaal toe had Pilatus moeten vaststellen: “Ik vind geen schuld in Hem”. Vastberaden dwingt Pilatus de Joden om met hun eigenlijke aanklacht tegen Christus voor de dag te komen. “Wij hebben een wet en naar onze wet moet Hij sterven”, zo klinkt het uit hun monden. Pilatus was verplicht om het joodse volk de vrijheid te geven om overtredingen tegen de joodse wet ook overeenkomstig die joodse wet te straffen. Alleen als het ging om het leven van de wetsovertreder had de Romeinse overheid de beslissende stem. Nu volgens de joden zulke belangrijke dingen op het spel stonden, wilden ze dat Pilatus zich naar hun wet zou schikken. Wie immers beweerde gelijk te zijn aan God, was volgens de joodse wet des doods schuldig. Inderdaad heeft Jezus Zich de Zoon van God genoemd. Hij heeft dat steeds duidelijker gepredikt. Formeel hadden ze dus het gelijk aan hun kant toen ze riepen: “Naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.” Zij konden en wilden Hem immers niet zien als de Middelaar Gods en der mensen. Aan zulk een Middelaar hadden ze trouwens helemaal geen behoefte.

Hoe kwam het nu dat er voor zulk een Middelaar geen plaats was in hun hart? Omdat zij met al hun rechtzinnigheid wel de overtredingen van een ander konden signaleren, maar niet bij zichzelf. Bovendien meenden ze met hun stipte wetsbetrachting toch wel aardig tevreden te mogen zijn over hun eigen positie tegenover God. Maar….is dit eigenlijk ook niet het punt waar het bij ons op vast zit? Hoe vaak stellen we niet tevreden bij onszelf vast dat het nog wel wat meevalt met ons leven. Kijk eens naar die of die….Niemand is volmaakt, maar dan valt het bij mij nog wel een beetje mee. Had men echter iets van de geest van de wet verstaan, dan had men zichzelf moeten aanklagen. Wie immers door Gods Geest voor de eis van Gods Wet wordt gesteld, moet erkennen voor Gods heilig oog een doemschuldige te zijn. Tegen al de geboden gezondigd en geen ervan gehouden en…nog steeds tot alle boosheid geneigd. Dan krijg ik niet met een ander te doen maar met mezelf. Dan slaan de woorden van Nathan in, in mijn hart: “Gij zijt die man!” Zo moeten we ook bedenken dat ieder mens van nature schuldig staat aan die eis waar de Joden over spreken. In het paradijs, in Adam wilden we allen als God zijn. En…als God willen zijn, dat betekent volgens Gods wet de dood te moeten sterven.

Ach lezer, laten we eerlijk zijn: dat willen we niet. Om zelf “naar onze wet” een des doodsschuldige te zijn, neen, dat smaakt mij niet. Daar wil ik echt niet aan. Dat gaat me veel te ver. Dan is het veel gemakkelijker om het bij een ander te signaleren en te constateren. Dan kan ik zelf buiten schot blijven. De Heere geve door Zijn Heilige Geest ontdekkend licht dat we persoonlijk met Gods wet te maken krijgen. Dan wordt het immers geestelijke beleving: “Ik ben door Uwe wet te schenden, krom van lenden.” De vraag komt op ons af: “Waaruit kent gij uw ellende?”

Hoe wonderbaar wordt dan voor zulken Gods getuigenis! Hoe wonderbaar wordt dan voor zulken het Lijdensevangelie! Dat spreekt mij immers van Hem, Die volkomen rechtvaardig was en geen zonde gekend, noch gedaan heeft, maar voor des doodsschuldigen tot zonde gemaakt wilde worden. Hij moest de dood sterven, alsof Hij de Goddelijke eer had aangerand. Sta hier eens een ogenblik bij stil: de onpeilbare liefde van Christus tot de Wet van God. Naar die Wet moest Christus inderdaad sterven. De overtredingen werden op Hem geladen.

U, die dit leest, hebt u er iets van leren verstaan dat u het doodsvonnis waardig bent? Het Avondmaalsformulier zegt: “Onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden”. In Hem is er behoud voor hen die schuldig staan aan Gods wet. Buigt u niet in waarheid des harten voor Hem? Weet dan dat Hij u toch eenmaal naar Zijn Wet zal oordelen. Vreselijk om dan voor eeuwig in de rampzaligheid gewaar te worden: naar Gods wet ben ik des doods schuldig.

Het zou ook voor u en voor mij dit jaar wel eens de laatste keer kunnen zijn dat we in de lijdenstijd naar Goede Vrijdag en Pasen heen leven. Mocht het voor u en voor mij werkelijk Goede Vrijdag zijn/worden. Mocht de paasjubel in onze harten weerklinken: “Jezus leeft”. Haast u dan om uws levenswil; de Wetsvolbrenger en de Wetsvervuller Jezus Christus roep u toe: “Wendt u tot Mij en wordt behouden”.

ds. A. van der Weerd

Jezus moest lijden

Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest henengaan naar Jeruzalem en veel lijden…
Mattheus 16: 21

Ieder jaar bezint de kerk zich, inzonderheid in de zeven lijdensweken, op het borgtochtelijk lijden en sterven van Christus: in gedachte volgen we Hem dan zelfs van stap tot stap op Zijn via dolorosa. Zijn weg der smarten! Ook dit jaar en in deze lijdensweken is dat weer het geval….Hoe doen we dat echter? In welke gezindheid, in welke gestalte des harten? Hoe zien we die lijdende Man van Smarten eigenlijk? Laten we nooit vergeten, dat die gezegende Christus niet leed en stierf als een of andere edele martelaar of iets dergelijks, neen, en nog minder als een misdadiger, maar als Borg, als plaatsbekledende en daarom ook schuldverzoenende en gerechtigheid-verwervende Borg en Middelaar voor al de Zijnen! Mij dunkt: dat komt ook in deze tekst duidelijk uit.

In deze eerste lijdensaankondiging houdt Jezus het Zijn discipelen (en in hen ook Zijn hele kerk van alle tijden en plaatsen) duidelijk voor, dat Hij moest lijden. Let wel: dat kon dus niet anders: dat moest Hij werkelijk! Ja, maar waarom dan? Wat was daar de reden van? Moest dat dan vanwege een of andere misdaad, door Hem begaan, of iets dergelijks? Ach, hoe zou het kunnen, immers Hij was toch de vlekkeloos Heilige, die nooit enige zonde gekend of gedaan heeft!
Dat Jezus moest lijden had dan ook een andere oorzaak, namelijk omdat de profetie en daarom ook de Raad Gods tot verlossing van Zijn volk vervuld moest worden. Ik kan ook zeggen: omdat Hij Zich in de stille Raad des Vredes reeds van eeuwigheid gegeven had om als plaatsbekledende Borg voor al de Zijnen aan Gods geschonden recht te voldoen, hun schuld te verzoenen en zo ook een eeuwige verlossing en een volkomen zaligheid te verwerven en aan het licht te brengen. Kortom: Jezus moest dus naar Gods Raad lijden omdat Hij Borg voor de Zijnen was geworden!

Immers, daarom was Hij toch ook beladen met de last van hun zondeschuld alsook van Gods rechtvaardige toorn en straf. God wil toch, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede: Gods recht eist volkomen voldoening! Welnu, nu Christus Zich dan, beladen met schuld, in de plaats van al de Zijnen onder dat heilige recht van God gesteld heeft, o, nu betekent dat dan toch inderdaad ook, dat Hij dan die volle last van Gods toorn en straf ook volkomen dragen moet! Dragen moet, uiteindelijk zelfs tot in de vloekdood aan het kruis! Ja, zie, en vandaar dan dus inderdaad ook dat lijden, dat allervreselijkste lijden, waarvan die gezegende Borg bij mond van David reeds kwam te getuigen: “Mijn God, hoe zwaar, hoe smart’lijk valt dit lijden voor Mijn gemoed.”
Let wel: dat lijden van Christus was dus, goed gezien, ook lijden om der zonde wil. Jesaja profeteerde reeds:
“Maar Hij is om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld.“
En elk van Gods kinderen krijgt daarom ook persoonlijk en in der waarheid te beleven door het ontdekkend licht des Geestes in zijn hart:
“Ik ben ‘t, o Heer’ , die U dit heb gedaan…
Want dit is al geschied, eilaas, om mijne zonden.”
U ook? Is dat ook uw ervaring reeds geworden? O, dan wordt het werkelijk ook verstaan en ingeleefd dat dat lijden van Christus nu inderdaad ook lijden is dat ik eigenlijk verdiend heb en dat ik eigenlijk zou moeten ondergaan; ja, en dat voor eeuwig zelfs, zonder dat daar ooit een einde aan zou komen….! Jezus moest lijden wil zeggen: Ik moest lijden!

Ja, o zie, maar wat krijgt in die weg dat lijden (en met name dan toch ook dat moeten lijden) van Christus dan toch juist ook een onuitsprekelijk rijke betekenis en waarde voor het hart! Immers, behalve Gods recht laat dat lijden van Christus ons naar diezelfde Raad des Vredes dan toch niet minder ook zo duidelijk dat onbegrijpelijke wonder van Gods weergaloze liefde zien, namelijk dat Hij nu toch inderdaad Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (en die Zoon ook zichzelf!) om in de weg van Zijn borgtochtelijk verzoeningswerk – en dat wil dan toch zeggen: om in de weg van Zijn bitter lijden en sterven – voor schuldige in zichzelf reddeloos verloren zondaren aan Zijn recht te voldoen en een volkomen zaligheid te verwerven! O, dan is dat moeten lijden van Christus dus inderdaad niet het minst ook een moeten lijden vanwege de liefde Gods! Hij voor mij: Hij in mijn plaats; o wat een wonder als de Heilige Geest de ogen des geloofs daarvoor ontsluit en ik daar persoonlijk werkelijk houvast aan krijgen mag!

Kent u dat? Weer u wat dat is? Immers: op het persoonlijk kennen en ervaren ook van deze dingen komt het toch ook in ons leven – en daarom dus ook in deze lijdensweken – allereerst en bovenal aan. Anders is het toch onmogelijk om zelf ook persoonlijk in de zalige vrucht van dat borgtochtelijk lijden en sterven van Christus te delen. Integendeel: dan zullen we zelf toch eens voor eeuwig die last van Gods toorn en straf moeten dragen en ondergaan. En dat zou vreselijk zijn…!

Door dat lijden en sterven van Christus zijn al de Zijnen van die toorn en straf Gods echt voor eeuwig verlost. Ja, zij mogen als vrucht daarvan zelfs in Gods liefde en gemeenschap delen: hier reeds in beginsel en straks voor eeuwig volkomen! U ook? Ach, nu is er in die lijdende en stervende Borg ook voor u nog plaats bij het kruis…!

“Leer mij, o Heer’, Uw lijden recht betrachten,
In deze zee verzinken mijn gedachten…
O liefde, die om zondaars te bevrijden,
zo zwaar zou lijden..”

Ds. G. Bouw (1936- 2012)