Maar ik zal uitzien

Maar ik zal uitzien naar den HEERE ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen
Micha 7;7

Micha is profeet in een donkere tijd. Het volk keert zich af van de Heere en kiest voor een leven zonder God. Het gevolg is een leven waar de mens in het middelpunt staat, een tijd van egoïsme en liefdeloosheid. Daar lijdt Micha onder en hij klaagt zijn diepe nood in vers 1: Ai mij! De tijd waarin wij leven is niet anders dan de tijd van Micha. Als
we om ons heen zien en als we vooral ook in ons eigen hart kijken blijft er toch niet meer over dan Micha’s klacht? Want Micha stelt zich niet boven zijn volk, maar belijdt met de zonden van zijn volk ook zijn persoonlijke zonden: Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd (vers 9). Maar midden in de donkerheid van de tijd en midden in zijn klacht mag Micha door het geloof boven alles uitzien: ‘Maar ik zal uitzien naar de HEERE!’ Hoe is het mogelijk dat in Micha’s sombere klanken ineens de jubeltoon klinkt? Het ‘ik zal’ van Micha is niet het eerste ‘ik zal’. In de ontstellende werkelijkheid van de zonde in het paradijs moesten Adam en zijn vrouw Manninne tevoorschijn komen, omdat zij tegen God gezondigd hadden. En daar klonk het Goddelijke ‘Ik zal’: Ik zal vijandschap zetten! Daar beloofde God Zijn Zoon, Die de straf zal dragen, de dood zal overwinnen, de wet zal vervullen. Ik zal!
Daarom mag Micha nu door het geloof ‘van verre zien en omhelzen’ vanwege Gods beloften waarvan hij in hoofdstuk 5 mocht profeteren: Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Micha jubelt Zijn lofzang over de uitzichtloosheid heen: Ik zal uitzien naar de HEERE, de God van Zijn verbond, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal, Die Zijn Woord altijd waarmaakt en ik zal wachten op de God mijns heils. De God van mijn redding, van mijn Verlosser, van mijn Christus. Zo mag Micha Zijn kerstlied, Zijn Christuslied zingen in omstandigheden die verdrietig en mistroostig maken. Hij mag weten dat het zeker en vast ligt in Zijn God: Mijn God zal mij horen. Op Hem mag Micha’s vertrouwen gevestigd zijn: Mijn God. De enige God. Micha’s naam is zo bemoedigend: Wie is gelijk aan de HEERE! Van harte wens ik u en jou zo’n kerstfeest toe. Juist als er omstandigheden zijn waar u niet overheen kunt zien, dat u dan mag zingen:
Maar ik blijf den HEER’ verwachten
Mijn ziel wacht ongestoord.
Ik hoop in al mijn klachten
Op Zijn onfeilbaar Woord.
ds. D. van Luttikhuizen

Geen enkele twijfel mogelijk!

‘…en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.’
Spreuken 8:17b

Ik weet natuurlijk niet hoeveel kinderen en jonge mensen wel eens een blik slaan in het kerkblad. Deze meditatie is in elk geval bijzonder voor jullie bestemd. De tekst uit Spreuken 8 geeft dat tenminste duidelijk aan. Het gaat over mensen die de HEERE vroeg zoeken. Dat wil dus zeggen: niet aan het eind, maar aan het begin van je leven. In je jeugd. De teksten die in het bijzonder kinderen en jongeren aansporen om de HEERE te leren kennen, horen we in de Bijbel veel vaker. Soms ook met een ernstige ondertoon, zoals in dat andere boek van Salomo: Prediker. ‘Gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer de kwade dagen komen….’(Prediker 12:1) Vrij vertaald: wees op tijd bezig met het zoeken van je Schepper, want er komen vast en zeker tijden in je leven, waarin je daarvoor geen gelegenheid meer zult hebben. Kwade dagen. Tijden, waarop je in beslag genomen zult worden door allerlei zorgen en beslommeringen. Of tijden, waarop je helemaal bezet zult zijn met ziekte, pijn of rouw. Onze tekst uit Spreuken 8 is net zo dringend als die woorden uit Prediker 12. Da nadruk valt hier echter niet op de ernst van het zoeken van
de HEERE, maar op de breedte en de rijkdom van de uitnodiging om tot Hem te komen. Wie dat vroeg leert doen –
wie dat dan ook is – zál Hem vinden. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Zulke jongens en meisjes ‘zúllen Mij vinden’! Het is goed erop te letten Wie hier precies aan het woord is. Ik had het tot dusver over ‘het zoeken van de HEERE’, maar de tekst zeg het eigenlijk nog iets anders. Volgens het begin van Spreuken 8 is ‘de Wijsheid’ aan het woord. De opperste Wijsheid roept alle mensen toe – en dus vooral jonge mensen – om niet als een dwaas door het leven te gaan, maar om ware wijsheid te leren. En daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. Dat werpt goede vrucht af, waar je heel je leven profijt van hebt. Een bijzonder beeld: de ‘Wijsheid’, die bij God vandaan komt, afgebeeld als een Persoon, Die tegen ons staat te roepen en ons uitnodigt tot een ‘wijs’ leven. De tekst wordt nóg meer bijzonder als we horen dat de meeste uitleggers in deze Persoon niemand minder dan de Heere Jezus herkennen! De Zaligmaker, van wie Paulus trouwens later ook gezegd heeft dat Hij ons door God geschonken is tot ‘wijsheid’( 1 Kor.1:30). De Heere Jezus, Die je echt kan leren wat ‘wijsheid’ is, omdat Hij de hoogste Profeet en Leraar is (Zondag 12 van de Heidelberger Catechismus). En wat is dan echte wijsheid? Erkenning van je eigen dwaasheid en onkunde. Erkennen dat je zelf niet weet hoe je het leven dóór kunt en al helemaal niet hoe je het leven uit moet. Erkennen wat een dwaas leven het is als je van nature helemaal beheert wordt door de zonde. En dan met al je
dwaasheid en onverstand, zonde en schuld, vluchten naar de opperste Wijsheid. Vluchten naar de Heere Jezus, Die je wil leren ‘hoe je wandelen moet’(Psalm 25) Dat dat nodig is, zal je als jong lid van de kerk inmiddels wel begrepen hebben. Maar kan het ook? Wil de HEERE zo iemand als jou ontvangen? Wil Hij zo’n dwaas nog wijs maken? Wil Hij met eerbied gesproken de moeite nog nemen om je op Zijn school te nemen? Wie je dan ook bent, zegt Christus in Spreuken 8: je bent bij Mij welkom. Hoe eerder, hoe liever. Want ‘wie Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden’. Hoor je de liefdevolle aandrang van Hem, Die niet wil dat je verloren gaat? Stel dan niet uit tot morgen, wat vandaag moet gebeuren. En neem deze belofte er maar bij, als je in het gebed vraagt of de HEERE je wil bekeren. Leg je vinger er maar bij en pleit maar op Zijn eigen Woord. En bedenk: het is zo volstrekt terecht dat God via Zijn Zoon zegt dat Hij je vandaag wil hebben. Hij heeft je tenslotte Zelf gemaakt. Hij is het waard om heel je leven te krijgen, juist ook die eerste jaren ervan. Jaren, waarvan je later misschien zult zeggen – zoals zoveel ouderen zeggen – : het waren eigenlijk
mijn mooiste, meest onbezorgde jaren ( al geldt dat niet voor alle jongeren!) Maar wat zou het heerlijk zijn als je later ook zou mogen zeggen: het was juist zo’n heerlijke tijd, omdat ik toen de HEERE al mocht zoeken en vrezen.  Elke dag zonder Christus is een verloren dag. Elke dag mét Christus is een kostbare dag. Kostbaar, ook in de ogen van je
Schepper.
ds. A. van der Zwan

Geopende boeken

“En de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken”
Openbaring 20:12

Een boekhouder krijgt wel eens controle. Dan moet alles kloppen. Staat alles correct in de boeken genoteerd? Hoe staat het met onze boekhouding? Vullen wij ons ‘levensboek’ zo in, dat we het straks aan de Heere kunnen tonen? Leven we zo, zoals u eens zult wensen geleefd te hebben? Wij krijgen onze boeken nooit kloppend. Er blijft altijd schuld en tekort. Wie dat beseft, heeft elke dag genade nodig. Of hoort u bij hen die onbezorgd even en rustig
denken te sterven, omdat u altijd goed geleefd hebt? U gaat bovendien naar de kerk, dus wat wil je nog meer?
Nooit hebt u in uw boeken ingevuld: “Ik heb tegen U, o Heere, zwaar en menigmaal misdreven….” Hoe zal dat dan zijn als de straks de boeken van de Heere opengaan? En als Zijn boek naast uw boek wordt gelegd? Het eerste boek dat opengaat, is het boek waarvan de dichter spreekt in psalm 139: “Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven.” Het is het boek waarin alles van ons leven vermeld staat. Het tweede boek dat opengaat, is het boek van Gods wet. Ons leven wordt getoetst aan de wet van God. De Rechter van hemel en aarde houdt Zijn wetboek in de hand. Hij zal heus geen onrecht doen. Maar Hij toetst ons leven wel aan een zuivere norm. Een derde boek dat opengaat, is het boek van ons geweten. Ons geweten zal mee getuigen. Alles wat u had weggestopt komt dan weer boven. Alles waar u overheen geleefd hebt, komt dan terug. En het zal u aanklagen. Wat een dag zal dat zijn, als de boeken worden geopend! Wordt het niet hoog tijd dat we de vraag leren stellen: “Mijn ziele, doorziet ge uw lot, hoe zult ge rechtvaardig verschijnen voor God?”  Kan dat dan? Ja, dat kan. Hoe dan? Omdat er nog een boek blijkt te zijn. Het beslissende boek. Het boek des levens van het Lam. Het boek des levens is het boek waarin God de namen
schreef van al de Zijnen. Het is het bevolkingsregister van het Nieuwe Jeruzalem. Die namen worden nooit meer uitgewist. (Openbaring 3:5)! Het boek des levens is het boek van de verkiezende liefde van de Vader. Van eeuwigheid schreef Hij die namen in Zijn boek. Het is ook het boek des levens van het Lam. Het leven is verworden door het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt. Daar ligt zo’n ruimte in, dat niemand in de hele wereld ooit moet denken: voor mij kan het niet, want ik heb te veel, te zwaar of te lang gezondigd. Eens heeft dat Lam voor een schuldig volk gebeden: “Delg Mij maar uit Uw boek…” Zijn Naam werd eens geschrapt, opdat hun naam kon worden ongeschreven. Uw naam ook? Al die namen worden geschreven als met het bloed van het Lam. Het is ook het boek
van de Heilige Geest. Want het is de Geest Die levend maakt. De Geest Die het uit Christus neemt en ons verkondigt. Zij wier namen staan in het boek des levens zullen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest leren groot maken voor het grote wonder van zalig worden. Zit u ook wel eens met de vraag of uw naam wel voor zal komen in het boek des levens? Weet u verder niets te bedenken dan: het moet je gegeven worden? Of werd het bloed van Christus u dierbaar en onmisbaar? Dreef de nood u naar Gods genadetroon met de smeekbede: Heere, schrijf me er uit genade vandaag nog bij, want buiten Jezus is geen leven? Om u daartoe aan te sporen, gaat er vandaag nog een boek open. Het boek van het evangelie, dat u van Godswege toeroept: Haast u om uw levens wil! In dit boek staan geen leugens. De God Die u straks zult ontmoeten, is de God van het Woord. Voor allen die het van de Heere alleen leerden
verwachten, zal gelden: “God zal ze Zelf bevestigen en schragen; en op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen als in Isrel ingelijfd; en doen de naam van Sions kinderen dragen.”
Ds. H. Korving

Onderzoekt de Schriften!

‘Onderzoekt de Schriften; want gij meent In dezelve het eeuwige leven te hebben; En die zijn het, die van Mij getuigen.”
Johannes 5:39

Het winterwerk gaat weer van start. Catechisaties, zondagsschool, verenigingen en clubs, ze bieden elk op hun
eigen niveau en wijze de mogelijkheid om onderwijs te ontvangen in het Woord van God en de leer die naar de
Godzaligheid is. Heel wat jongeren en ouderen maken van de gelegenheid gebruik om meer inzicht in de Schriften te krijgen. Er zijn echter ook anderen, die het winterwerk als iets vrijblijvends zien, waar je aan mee kunt doen als je er zin in hebt. Wanneer we ons bedenken hoe bevoorrecht we ten opzichte van bijvoorbeeld mensen in Spanje of Cuba zijn, zullen we niet zo vrijblijvend kunnen denken over het lezen in de Bijbel. De woorden die Christus Zelf in Johannes 5 spreekt, klinken trouwens ook in het geheel niet vrijblijvend. Onderzoekt de Schriften! Dat is het bevel dat aan het adres van het oude bondsvolk klinkt. Graaf in dat Woord. Zoek de zin ervan te verstaan. Waarom? Niet om verstandelijke kennis te vergaren, maar omdat er iets heel bijzonders aan de hand is met dat Woord van God. Het zijn deze Schriften die van Mij getuigen, zegt Christus. Niet alleen het Nieuwe Testament, dat op dat moment nog geschreven moest worden. Maar ook het Oude Testament is vol van Hem, Die de Vader zou zenden tot
verzoening van de zonde. Wie daarom als zondaar leert vragen: `Is er nog een middel om de welverdiende straf te
ontgaan?” , kan op die vraag slechts het antwoord vinden in de Schriften. Die zijn het, die van de Middelaar Gods en der mensen getuigen. Zo bezien is onze tekst in de eerste plaats een aansporend woord voor wie mocht denken dat hij of zij de Schriften geen voorrang hoeft te geven in het invullen van de genadetijd. Maar er is meer te leren in Johannes 5. Jezus is hier in gesprek met de Joden. Hij openbaart Zichzelf als Zoon van God. Die één is met de Vader, Jezus is niet zomaar een profeet, maar Hij is de Beloofde. Dat getuigenis dat Christus van Zichzelf geeft, wordt ondersteund door andere getuigenissen. De Zaligmaker noemt in dit verband onder mee Johannes de Doper, die Hem immers aanwees als het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt. Ook wordt God de Vader genoemd als Getuige bij uitstek. Was Hij het niet, Die sprak: `Deze is Mijn geliefde Zoon” En dan noemt de Heere Jezus als getuige van Zijn Persoon en werk ook de Schriften. Onderzoekt de Schriften, want die zijn het die van Mij getuigen.
Maar, zou iemand kunnen vragen: hebben de Joden die aansporing wel nodig? De orthodoxe Joden, ook uit Jezus
dagen, staan toch bekend om hun nauwgezet lezen en onderzoeken van de Wet en de profeten? Inderdaad. Men zou
het woord onderzoekt in onze tekst dan ook zó kunnen lezen, dat het geen aansporing is, maar een constatering:” …gij onderzoekt de Schriften….en gij meent in dezelve het eeuwige leven te vinden” Maar horen we wat er dan ebeurt? Dan krijgt deze tekst een waarschuwende klank. Want Jezus getuigenis krijgt van allerlei zijde ondersteuning van het getuigenis van anderen. De Doper, de Vader Zelf, de Schriften….Maar men kan al die getuigenissen ook in de wind slaan. Een mens kan zelfs dag en nacht bezig zijn met het onderzoeken van de Schriften, zonder te beseffen over Wie het eigenlijk gaat. Zonder te komen tot persoonlijke kennis van de Zaligmaker. En dan kun je wel menen het eeuwige leven te vinden door het vele lezen en bestuderen van de Bijbel, maar dat op zich maakt niet zalig! Het gaat erom: heb ik de Heere Jezus ontdekt in de Schrift? Heb ik als arme zondaar oog gekregen voor Zijn Persoon en Zijn borgwerk? Dat gebeurt slechts waar het lezen van de Schriften onder leiding van de Heilige Geest plaatsvindt. Het is
niet voor niets dat Paulus later zou schrijven dat de letter doodt en de Geest levend maakt. Het louter bestuderen van letters maakt een mens misschien knap en Bijbelvast, maar alleen de Geest kan het onderzoeken van het Woord zo zegenen, dat ik het Woord, het vleesgeworden Woord ontmoet en omhels in geloof. Zo krijgen we allemaal onderwijs mee, aan het begin van dit winterseizoen. Onderwijs van de hoogste Profeet, Die zegt: Onderzoekt de Schriften. Maar onderzoek ze zo, dat het om Mij gaat. Die zijn het die van Mij getuigen. Laat dan ons gebed zijn: ´Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest….mocht Die mij op mijn paan ten Leidsman strekken.
ds. A. van der Zwan

Koud water

Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
Spreuken 25:25

Het is bijna vakantietijd. Misschien gaat u wel op reis, we zoeken de zon op. Na een vermoeide reis wil je wel even wat drinken. Eigenlijk is er geen betere dorstlesser dan fris water. Heerlijk verkwikkend. In de tijd van de Bijbel wisten ze dat ook, zelfs beter dan wij. En de verkwikking die genoten wordt wanneer een vermoeide reiziger koel water kan drinken, wordt in deze spreuk vergeleken met de geestelijke verkwikking die een goede tijding uit een ver land biedt aan vermoeide mensen. We kennen de geschiedenis van Jozef in Egypte. Door zijn vader en zijn broers was hij dood gewaand. Maar toen de broers terugkwamen uit Egypte en hun oude vader konden melden: “Jozef leeft nog en is regeerder in heel Egypteland!” was het voor Jakob bijna te veel om te kunnen geloven. Hij bezweek bijna onder de blijdschap door deze goede tijding uit een ver land. Het evangelie is de allerbeste tijding. Goed nieuws voor slechte mensen. Door de zonde hebben wij ons van God vervreemd en de toegang tot de eeuwige zaligheid verspeeld. Er is geen beginnen meer aan. De mens probeert wel wat, door godsdienstige werken, maar dat is uiterst vermoeiend. En het levert niets op. Het brengt ons dieper in de schuld. Van waar moet mijn hulp komen? Kijk, daar komt een koerier. Stel je een arme Roemeense familie voor, ze hebben honger, hebben geldgebrek, ze hebben
geen kleding. Geheel onverwacht wordt er op hun adres een pakketje afgeleverd door een koeriersdienst. Het pakketje komt uit een ver land en blijkt tot hun verrassing juist datgene te bevatten waar ze zo dringend behoefte aan hebben: voedsel, kleding, geld. Hoe denkt u dat ze zullen reageren? Hebt u zo weleens op de prediking van het Evangelie gereageerd? Want dat is de allerbeste tijding uit een heel ver land. Het komt uit de hemel. Dat is zo ver, daar kunnen wij helemaal niet (meer) komen. Te ver. Daar is geen ticket voor te koop. Waarom is het zo’n ver land? Dat is het niet altijd geweest. Het komt doordat wij zelf zo ver van huis zijn geraakt, door de zonde. Zo ver van huis, zo van God vervreemd, zo verkleefd aan deze wereld, en het burgerschap van ons oorspronkelijke vaderland verloren. “Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons heeft liefgehad, ook
toen wij dood waren door onze misdaden….”(Efeze 2:4-5) komt ons in het verre land van onze vervreemding en vijandschap opzoeken met Goed Nieuws. De koeriers staan elke zondag op de preekstoel. Laat u met God verzoenen! Er is een gewillige en bekwame Zaligmaker Die geen hopeloze gevallen kent. Hij ontsluit de toegang naar dat verre land, dat weer uw vaderland wordt. Naar het Vaderhuis en het Vaderhart van God. Waar zoekt u verkwikking voor uw vermoeide en dorstige ziel? Waar kan uw onrustige hart de ware rust vinden? Geen enkele vakantiebestemming kan het u geven. Het Evangelie van vrije genade wel. En wie eenmaal van dit frisse water heeft geproefd, wil er meer van ontvangen. Daar is geen gebrek aan. Het is een immer vloeiende fontein. `O alle gij dorstigen, komt tot de wateren.` Laat uw portemonnee maar thuis, er is al voor betaald. Door Iemand anders. Heeft de Heere Jezus Zelf niet gezegd:” Wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorsten?” Zielsverzadigend Evangelie! En dit is nog maar de voorsmaak. Want het beste komt nog, als de vermoeide pelgrims thuiskomen. De verzadiging der vreugde
voor Zijn aangezicht. Dan zal ten volle vervuld worden: “Hij sprak tot Mij: het is geschied. Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet”.
Ds. H. Korving

Zovelen….. zijn kinderen Gods

“Want zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods”
Romeinen 8:14

Mogelijk zit u ook weleens met die vraag. Misschien is dat ook uw grote levensvraag geworden. U gaat ’s zondags naar de kerk, u hebt uw hele leven al onder het Woord van God geleefd, u weet het allemaal zo goed, maar nu de grote vraag: ben ik eigenlijk persoonlijk ook al echt een kind van God? Immers, u voelt dat het daar voor u persoonlijk op aankomt en met een misschientje durft u het niet te wagen. U zou het zo graag zéker willen weten. Ja toch? Welnu , luister dan ook maar eens goed naar het Woord van deze tekst. Immers hoevelen (en wie) zijn er nu eigenlijk kinderen Gods? Gods Woord zegt het hier duidelijk. Luistert u maar: “Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods”, Zovelen. Dat sluit in en dat sluit uit. Zóvelen! Dat wil zeggen: die allemaal, maar die ook alléén. Niet één minder, maar ook niet één meer…Zóvelen als er door de Geest Gods geleid worden. Voelt u: dat is dus het criterium waar het om draait. Daar komt het ten diepste op aan. Of we geleid worden door de Geest Gods. Door die Heilige Pinkstergeest Die daar eens ook in Jeruzalem is uitgestort. Zó geleid dat die Geest in ons leven werkelijk ook de leiding heeft! Die Geest die dode zondaren wederbaart en vernieuwt. Die ontdekt en ontgrondt. Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Die doet wenen over je schuld en zonde en leert roepen om genade. Die plaatsmaakt en heenleidt naar de Heere Jezus Christus om ’t uit Hem te nemen en aan zondaren voor te stellen en deelachtig te maken. Die die gezegende Christus gaat verheerlijken, bij de aanvang maar ook hoe langer hoe meer en telkens weer. Die Heilige Geest is ook de Geest van Christus zodat een ieder die door Gods Geest geleid wordt het ook hoe langer hoe meer in die gezegende Christus leert zoeken en vinden en uit Hem en Zijn borgtochtelijk verzoeningswerk leert leven! Nog één ding. Die Geest leidt ook dóór en naar het Woord. Dat Woord is
als het ware de “leidraad” van de Heilige Geest, waarom een ieder die door die Geest geleid wordt dat Woord ook zo lief krijgt en naar dat Woord ook zo begeert te leven al meer. “Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast”. “En die gezocht door Uwe Geest gedreven”. Dan komt er ook een wandelen naar de Geest en een strijden en breken met het vlees. Het vorige vers zegt: “Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven”. Dan is er ook in je eigen leven de strijd tussen vlees en Geest, tussen die oude mens der zonde en dat nieuwe leven dat uit God is. De Heilige Geest leidt een zondaar ook op de weg der heiligmaking en godzaligheid! Welnu, worden wij zo al door die Geest geleid? Zóvelen toch als er door de Geest geleid worden, die zijn kinderen Gods. Neen, let wel, niet dus zonder meer zóvelen als er trouw naar de kerk gaan ’s zondags, als er gedoopt zijn, belijdenis doen en Avondmaal vieren. Neen, maar zóvelen als er door die Geest
geleid worden! Ach, en van nature worden we dat toch geen van allen Dan worden we ten diepste zelfs alleen maar geleid door een andere geest. Door die boze geest uit de afgrond namelijk, waarom we van nature toch ook geen van allen een kind van God, maar toch eigenlijk alleen ook maar een kind van de duivel zijn. “Want gij zijt uit uw vader, de duivel”, zegt Jezus Zelf! Is het bij ons al veranderd? Worden ook wij al door de Geest Gods geleid? Dan alleen, maar ook zeker, zijn wij toch werkelijk een kind van God! Een kind van God, ja, en daar valt hier zelfs ook de volle nadruk op: zóvelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. O, al zou het zelfs nog maar zo in beginsel zijn, maar allen die werkelijk door die Geest Gods geleid worden, die zijn nu werkelijk in de volle en diepe zin van dat rijke Woord echt ook kinderen Gods! Kinderen , ja, en dus ook géén slaven. “Want gij hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid wederom tot vreze, maar gij hebt ontvangen de Geest van de  aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen : Abba, Vader!” Kan het nog heerlijker? Kan het nog rijker? Die Geest getuigt
met onze geest dat wij kinderen Gods zijn! Erenamen, al te samen. Vorstentitels zijn maar schijn. Niets zo heerlijk, zo begeerlijk, dan een kind van God te zijn. Mag u het ook al zijn? Wordt u ook al door die Geest van God
geleid?
Wijlen ds. G. Bouw.

Van Simon gezien

Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.
Lukas 24:34

Dit getuigenis beluisteren we bij de blijde uitroep van de verheugde discipelen tot de wedergekeerde Emmaüsgangers aan het einde van de dag der opstanding: De Heere is waarlijk opgestaan. Hoe groot was de trouw en liefde van de Herder Die hen uit de strikken en banden van het ongeloof verloste! Aan het einde van die eerste dag zijn ze dan ook in verheugde zielenstemming bijeen. De lofzang klimt uit Sions zalen tot U met stil ontzag. Toch Pasen! De Heere is waarlijk opgestaan, ook voor Simon! Als er één in de banden heeft gezeten is hij het geweest. Niet voor niets lezen we dat hij afzonderlijk een boodschap van de opstanding kreeg: “Zeg het zijn discipelen, en Petrus!”
Wat een rijke bemoediging! Het allergrootste is echter wel dat Christus Zichzelf openbaart aan hem, ongetwijfeld op de middag van die eerste dag. En dat nog wel als eerste van de discipelen. Opmerkelijk! Bij de vrouwen is Maria Magdalena de eerste aan wie Jezus verschijnt. Bij de jongeren is dat Petrus. Welk een vrijmacht des Heeren, welk een liefde! Dat verstaan de andere discipelen, want ze zeggen niet: en is van Petrus gezien, maar van Simon. Daarin komt God alleen de eer toe. Petrus werd als Simon, zoon van Jonas, geroepen. Simon betekent ‘gehoorzamende horende’, dat wil zeggen: luisterende naar elke stem, de licht bewogene, de onvaste. Zonder God in de wereld en zonder
hoop voor de toekomst. Maar de Heere heeft hem gemaakt tot een ‘rotsman‘. Hoe rijk kwam die genade uit in zijn belijdenis: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Maar gelijk het geldt van ieder kind des Heeren: Petrus werd een tweemens. We zien duidelijk in zijn leven de strijd tussen de oude en de nieuwe mens: als hij, wandelende op de zee, in de golven zinkt, bij zijn verklaring in de paaszaal: “Ik zal mijn leven voor U zetten”. En wel in het bijzonder in de zaal van Kajafas, waar hij zijn Heere driemaal verloochende en zich openbaarde als een vreesachtige, als een wereldling, een leugenaar, ja een meinedige en vloeker! En daarom is het enkel ’s Heeren ondoorgrondelijke trouw waardoor hij beweldadigd wordt en de Heere mag ontmoeten. Onvergetelijk wordt voor Petrus Jezus’ verschijning op die middag van de opstandingsdag. We lezen niets van wat er gesproken wordt in deze ontmoeting.
We weten daar niets van en toch ook weer wel, want zeker is dat de Heere menigvuldig geeft en niet verwijt. Dit ervaren allen die in hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden. Dat juist wordt het grote wonder. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden, hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden. Petrus moet erkennen: Ja Heere, ik ben het eeuwig verderf waardig. Maar Christus betuigt: Mijn kind, Ik ben voor u naar de hel gegaan om de straf uit te boeten. Schrijft Petrus niet later in zijn brief: “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout”? En schrijft hij niet: “Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor
de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen”! Welk een troost vloeit er voort uit deze verschijning: voor Petrus want het is tussen zijn Heere en hem vlak, voor de discipelen, want: hetzij dat één lijdt, zo lijden al de leden mede, voor Gods kind, opdat het moed mag scheppen uit zijn behoudenis: en is van Simon gezien. Maar nu is het voor ons de vraag: is Hij ook van mij gezien? Ken ik Hem door bevindelijke kennis, uit het Woord, door de
Heilige Geest? Paulus getuigt: en ten laatste is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Verstandelijke kennis van God is niet genoeg. Er kan veel beschouwende kennis zijn welke straks bij het sterven wegvalt. Onderzoeken we onszelf in deze. Smeek om ontdekkend licht opdat ge u niet bedriegt voor de eeuwigheid. Het is nog het heden der genade. Welk een ontmoeting in die opperzaal! Ja, het wordt daar rijk. Wat zal het groot zijn wanneer Gods kinderen elkaar eens zo mogen ontmoeten met: Komt luistert toe, gij Godgezinden, gij, die de HEER’ van harte vreest, Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest! Dan worden de voorsmaken genoten van de eeuwige zaligheid, bereid voor allen die Zijn verschijning hebben liefgehad op de bruiloft des Lams!
Daarvan deelgenoot te mogen worden is het grootste wonder voor hen die zich als ‘Simon’ leren kennen.
Wijlen ds. H. van Leeuwen

Meditatie

“…en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem: “wees gegroet, Gij Koning der Joden”
Matth.27:29

We leven in een wereld, waar veel draait om macht. De machtsvraag wordt vaak uitgevochten in een oorlog. Als een
wereldleider wordt getart, door een andere machthebber zal hij zijn spierballen moeten laten zien. Een wereldleider zonder macht stelt immers niets voor. Dat beseften de mensen vroeger al. Tijdens de oorlogen kon het gebeuren dat de leider van de vijand gevangen werd genomen. Dikwijls werd deze dan onder luid gejoel op een wagen gezet en door de hoofdstad gereden. Alle mensen mochten getuige zijn: de koning van de vijand is buitgemaakt.
Vernederend
Nu lezen we in onze tekst van een Koning, Die is buitgemaakt door de vijand. Het Sanhedrin beschuldigt Jezus van godslastering. Vervolgens hebben ze Hem weggevoerd naar stadhouder Pontius Pilatus. Daar nemen de soldaten van Pilatus Jezus mee naar de binnenplaats. Die gegeselde en bebloede Jezus kan in hun ogen van alles zijn, maar geen koning. Ze zullen Hem laten zien, wie werkelijk de macht heeft. Ze doen Jezus een purperen mantel om. Op de binnenplaats is hout verzameld voor het vuur. De soldaten pakken wat doorntakken en vlechten er een kroon van. Deze stekelige doornenkroon zetten ze op het hoofd van Jezus. Deze zogenaamde Koning der Joden is voor hen een brandhoutkoning. In zijn rechterhand krijgt Jezus een rietstok geduwd. Allesbehalve een solide koningsstaf. Zo kronen deze soldaten Jezus vol spot en leedvermaak tot Koning der Joden. Lachend vallen ze voor Hem neer op de knieën. Met een brede grijns op het gezicht roepen ze het uit: ”wees gegroet Koning der Joden”. Na hun gespeelde knieval staan ze op en spugen ze in Jezus gezicht.Met de rietstok slaan ze op Zijn hoofd. Machteloos lijkt Jezus daar te staan als speelbal van de heidenen. Het is diep vernederend. Hij, Die met hemelse majesteit was bekleed, krijgt een spotmantel aan. Jezus Christus was bij Zijn Vader met goddelijke eer gekroond, maar nu wordt er een doornenkroon op Zijn hoofd gezet. Hij ondergaat dit echter vrijwillig om de wil van Zijn Vader te volbrengen.
Veroordelend
Deze vertoning is veroordelend voor ons. In Genesis 1 lezen we dat God de mens heeft geschapen. De mens mocht als koning heersen in de Naam van God. Maar dat was de mens niet genoeg. Hij wilde meer macht en zelf de koningsscepter zwaaien. In het schouwspel van de heidense soldaten krijgen we te zien, wat er van het koningschap van de mens is geworden. De mens is ontkleed van alle hemelse heerlijkheid en luister. Jezus staat als tweede Adam op de binnenplaats. Jezus als spotkoning laat zien wat er van de mens is geworden. Op Zijn hoofd staat de doornenkroon als beeld van de vloek over de zonde. Hij draagt een spotkleed en heeft een quasiscepter in Zijn hand. Dat is nu de mens ten voeten uit. Onttroond. Zonder heerlijkheid. Vervloekt in Gods ogen. Deze weken zijn de weken van de lijdenstijd. Bent u zelf al in beeld gekomen? Als de Heere in ons gaat werken, zullen we bij de lijdende Christus beschaamd het hoofd buigen. Dan zullen we beseffen, dat ikzelf door mijn schuld Zijn kroon heb gevlochten en Zijn beker gevuld. Jezus als spotkoning verkondigt ons onze totale verlorenheid en onze vloekwaardigheid. Maar Jezus staat daar als Borg van al de Zijnen. Daarom werd de heidense soldaten geen strobreed in de weg gelegd. Christus had zo een hemels leger van engelen kunnen zenden. Maar Hij liet Zich bespotten. Uit onvoorstelbare
zondaarsliefde gaat Jezus deze weg als Borg voor Zijn volk.
Vertroostend
Dat is ook vertroostend. De soldaten mogen Jezus vol spot kronen, maar het ligt alles opgesloten in de wil van de Vader. Het is de Vader, die Zijn Zoon deze vervloekte doornenkroon op het hoofd zet. Hierin schittert Gods liefde. Jezus Christus heeft de vloek der zonden gedragen, die de mensen over zich hebben afgeroepen. In Zijn liefde heeft de Zaligmaker Zijn hemelse rijkdom afgelegd en is Hij geworden tot een vloekwaardige. Hij heeft de vloek gedragen! Maar op paasmorgen is Hij opgestaan uit de doden. Deze spotkoning is opgevaren ten hemel en zit aan de rechterhand van God. Daar heerst Hij als de verheerlijkte Koning. Hij zegt het Zelf: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde.” De purperen mantel heeft plaatsgemaakt voor de blinkende klederen van Zijn majesteit. De doornenkroon is verwisseld voor de kroon van eer en heerlijkheid. De slappe rietstok is vervangen door de scepter van Zijn almacht. Deze verheerlijkte
Koning bekleed met goddelijke majesteit wil verloren adamskinderen weer maken tot koningskinderen. Christus heeft Zich laten verachten en laten vernederen als spotkoning, opdat Hij de eeuwige zaligheid zou verwerven voor zondaren. Kent u deze Jezus als uw Koning? Twijfel niet, als u uzelf onwaardig keurt. Wanhoop niet, als u meent Gods vloek niet meer te kunnen ontlopen. Christus heeft juist die purperen mantel gedragen voor onwaardige mensen. Hij heeft de doornenkroon op Zijn hoofd gehad voor mensen die Gods vloek hebben verdiend. Jezus, de Koning. Een ergernis voor de Joden. Een dwaasheid voor de Grieken. De zaligheid voor verloren zondaren.
Ds. A. C. Uitslag

Zijn uitverkorenen

“Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen…”
Lukas 18:7

De uitverkiezing, wat is dat altijd weer een moeilijk stuk. Moeilijk, neen niet voor degene, die net doen alsof er geen
uitverkiezing is en alsof het heil en de zaligheid en het deelachtig worden daarvan een zaak is van de menselijke vrije
wil. Moeilijk, ook niet voor hen, die zich van die verkiezing zo gemakkelijk afmaken en daarachter als pogen weg te kruipen met die bekende, schijnbaar steekhoudende maar in wezen duivelse uitvlucht: als ik niet uitverkoren ben kom ik er toch nooit, en indien wel, dan zal de Heere mij wel weten te vinden. Moeilijk, ook niet allereerst voor die kinderen Gods, die de troost en de vastheid van de verkiezing mogen kennen omdat zij op goede gronden mogen weten, dat ook hun namen geschreven staan in het Boek des Levens. Neen, maar moeilijk vooral voor die kinderen Gods, die wel in oprechtheid naar de Heere hebben leren zoeken en vragen maar die nog geen wijsheid en zekerheid hebben, die nog niet zeker weten, dat ook zij werkelijk uitverkoren zijn. Ja, wat kunnen diegenen vooral het moeilijk hebben met die verkiezing, temeer nog omdat de satan hen juist op dat punt van de verkiezing zo vaak en zo graag aanvecht en bestrijdt, bijvoorbeeld door hen in te fluisteren, dat al hun bidden en kerkgaan en Bijbellezen toch
niets helpt omdat ze toch niet uitverkoren zijn…Zie, en daarom is het nu niet het minst juist voor hen ook zo bemoedigend en leerzaam dat de Heere ons in Zijn Woord ook telkens bepaalde “kenmerken” aanwijst, waaraan die uitverkorenen te herkennen zijn. En één van de schoonste van die kenmerken vinden we dan wel in de bovenvermelde tekst, waar van die uitverkorenen gezegd wordt, dat zij dag en nacht tot de Heere roepen.
Daaraan zullen de uitverkorenen straks in de eindtijd, wanneer ze vreselijk vervolgd en verdrukt zullen worden (daar gaat het hier blijkens het verband toch allereerst over) te herkennen zijn dag en nacht zullen zij dan roepen tot de Heere om hulp en recht, net zolang totdat Hij hen helpen en recht verschaffen zal. Ja, maar daaraan zijn de uitverkorenen vandaag aan de dag ook te herkennen: dag en nacht roepen ze tot de Heere. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat zij niets anders doen, niet werken, niet slapen enz., dan alleen maar bidden, neen, maar dat betekent wel, dat ze voortdurend bij dagen en bij nachten, ook zelfs onder hun gewone werkzaamheden door, daar mee bezig
zijn. Die uitverkorenen bidden niet zo nu en dan eens, of alleen maar aan tafel en voor het naar bed gaan om genade en verzoening, om vrede met God enz. Neen, maar dat houdt hen voortdurend bezig. De ernst van dood en eeuwigheid, de last van de zonde, de noodzaak van de verzoening door het bloed van de Heere Jezus, is hun zo op het hart gebonden, dat zij voortdurend in het gebed naar de Heere heengedreven worden, bij dagen en bij nachten, zoals de dichter daar ook van zingt: “k Zocht Hem in mijn bange dagen, ‘k bracht de nachten door met klagen”. Omdat het bij dezulken nood geworden is. En als het nood is, dan kun je niet ophouden, maar dan blijf, dan moet je roepen.
En nu de troost van dit Woord. Want wie dat nu in waarheid mag kennen, die heeft daarin een onbedrieglijk kenmerk van de uitverkiezing. Want dat ze bij dagen en bij nachten tot de Heere roepen is een vrucht, die alleen maar groeit aan de boom van Gods eeuwige verkiezing. Ook al kunnen zij daar zelf nog niet bij, al zien zij dat zelf nog niet. Zulke mensen zijn veel verder dan ze zelf weten. Als het maar waarheid is in het hart. En daarom: Kent u dat? Dat zo voortdurend worstelen aan Gods troon? Let wel, ik vraag niet of u al weet dat u uitverkoren bent, maar wel of u dat roepen tot de Heere kent bij dagen en bij nachten. Zo niet, verbeeldt u dan toch niets. Want dan hebt u nog geen enkele gegronde reden om te bedenken, dat u een uitverkorene bént. Want dat roepen is wel één van de eerste
kenmerken van Gods kinderen; dat kennen zij allen. Maar roep dan toch nu nog. Want het kan nu nog. Laat de verkiezing vooreerst maar rusten, dat is Gods zaak, maar roep Hem aan om genade en verzoening, pleitend op het
bloed van Christus. Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot”. Dat is de troost van de verkiezing. Als die onrechtvaardige rechter uiteindelijk die weduwe, die maar bleef roepen, toch recht verschafte, zou dan de rechtvaardige, en zeer genadige en barmhartige God geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, aan hen, die Hij uit onbegrijpelijke liefde reeds van eeuwigheid heeft uitverkoren? “Ik zeg u” zegt Jezus Zelf, “dat Hij hen haastelijk recht doen zal”. Recht ja, want Sion zal door recht verlost worden. Niet alsof en omdat zij rechten hebben in zichzelf, neen maar omdat de Heere hen aanziet in het borgtochtelijk verzoeningswerk van de Heere Jezus, waardoor aan Gods recht volkomen is genoeg gedaan. De Heere zal Zijn uitverkorenen zeker recht doen. Uit enkel genade. Om Jezus wil. Recht, voor nu en eeuwig. Dat heil, die zaligheid ligt onwrikbaar vast. Neen, niet in hem, maar in die verkiezende God. Daarom:
“Hoop op de Heer’, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt op hun gebeden
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden.
Zo doe Hij ook aan mij.
Wijlen ds. G. Bouw

De Weg

“Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg”
Johannes 14:6a

Een weg komt ergens vandaan en een weg gaat ergens naar toe. Dat geldt ook van de weg waar de Heere Jezus hiervan zegt dat Hij dat Zelf is. Hij is de Weg naar het Vaderhuis met zijn vele woningen, waar Hij heen gaat om daar ook voor al de Zijnen een plaats te bereiden. Hij is dus de Weg naar de hemel, naar het eeuwige leven, naar de eeuwige volkomen genieting van de zaligheid uiteindelijk zelfs in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Die Weg komt bij God Zelf vandaan. Neen, niet bij de mens. Bij de mens vandaan is er sinds de zondeval zelfs geen enkele weg naar God en naar de eeuwige zaligheid en het echte geluk meer overgebleven of te verwachten. Dat kan zelfs nooit meer. Door de zondeval zijn van de gevallen mens zelf uit alle wegen opgebroken. Is er eigenlijk maar één weg
overgebleven, maar dan niet naar de eeuwige gelukzaligheid, maar naar de eeuwige rampzaligheid, een weg naar de hel. En daarom dat wonder, dat er nu toch nog weer een weg ontsloten is. En dat nog wel door God Zelf. Vanuit Zijn bewogen en ontfermend liefdeshart. Want alzo lief heeft God de wereld, de van Hem afgevallen wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Gegeven in de kribbe van Bethlehem, gegeven tot in de vloekdood aan het kruis, gegeven om in de weg en op grond van Zijn borgtochtelijk verzoeningswerk weer een verse en levende weg tot het Vaderhart en Vaderhuis te banen, te ontsluiten. Een verse en levende weg, waarlangs verloren zondaren, met belijdenis van zonde en schuld, weer met God verzoend en voor eeuwig zalig kunnen worden. Heere, waar dan heen? Tot U alleen, Gij zult ons niet verstoten, Uw eigen Zoon, heeft tot Uw troon, de weg ons weer ontsloten! De Heere Jezus zegt het hier Zelf tegen Thomas, en ook tegen ons: “En waar Ik heenga weet gij en de weg weet gij. Thomas zeide tot Hem: Heere, wij
weten niet waar Gij heen gaat en hoe kunnen wij de weg weten? Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg….niemand komt
tot de Vader dan door Mij.” De Heere Jezus is DE WEG. Niet EEN weg, naast vele andere wegen. Hij alleen is de enige weg. Alle andere wegen en zijpaden, buiten of naast Hem, of het nu wegen van zondige ongerechtigheid of van vrome godsdienstige eigen gerechtigheid zijn of van welke ander religieuze gezindheid ook, zijn doodlopende wegen. Gods Woord zegt in Handelingen 4:12: “En de zaligheid is in geen Ander, want onder de hemel is geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.” We worden alleen door Jezus zalig of we worden helemaal niet zalig. Jezus is de Weg. De enige Weg…  Ja, maar ook de volkomen veilige en zekere en  betrouwbare Weg. Wie tot die Weg leert vluchten en op die Weg leert wandelen, zal ook niet omkomen of verdwalen in der eeuwigheid. Die mens kan nog wel eens van de weg afdwalen, maar voor altijd verdwalen en omkomen kan of zal zo iemand nooit meer. Die komt thuis, voor eeuwig thuis. Ondanks alles en ook dwars door alles heen in dat Vaderhuis met zijn vele woningen. Hij is bezig een plaats voor hen te bereiden. Geld dat ook voor u? Kent u deze weg? Wandelt u op deze weg? Of….leeft u voor eigen hart en rekening en wandelt u op een weg naar het goeddunken van uw eigen hart. Weet dan eigen wegen eindigen in de dood, de eeuwige dood. Deze Weg eindigt in het leven, het eeuwige leven. Wandelt dan op dezelve en gij zult rust vinden voor uw zielen.
Wijlen ds. G. Bouw