De HEERE zal wakker zijn over Zijn Woord

Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij Jeremia? En ik zeide;
Ik zie een amandelroede.

(Jeremia 1:11)

Geweldig is de opdracht, die de Heere aan Jeremia gegeven heeft in het ogenblik van zijn roeping tot profeet. Hij wordt gesteld over volken en over de koninkrijken om uit te rukken en af te breken en te verderven en te verstoten, óók om te bouwen en om te planten.
Zwaar is dus allereerst wel de taak, die Jeremia wacht. Hij moet maar geen liefelijke boodschap brengen in de eerste plaats. De boodschap is het meest afbrekend en verdervend. En dat valt niet mee als we zo’n taak krijgen.
Daarbij is de opdracht niet beperkt.
De Heere zegt het tot Jeremia, dat hij gesteld is over de volken en de koninkrijken. Hij moet staan met Gods Woord maar niet alleen in het midden van het volk van Juda. Ook in het midden van de volkeren moet hij Gods Raad en Gods weg met de volkeren der aarde verkondigen.
Tenslotte voorzegt de Heere daarbij de uitwerking van het door Jeremia gepredikte Woord. De opdracht predikt de uitwerking van de verkondiging. Het Woord zal kracht doen: uitrukkend èn verdervend, ook bouwend en dat in het midden van Israël, maar óók onder de volkeren.

Zou het niet te verstaan zijn, dat in het hart van Jeremia de vraag is opgekomen, hoe of dit alles vervuld zal worden?
We lezen in dit gedeelte van zo’n vraag niet bij de Profeet. Te verwonderen zou hij in ieder geval niet zijn. Hoe moet hijzelf het Woord brengen, zwak van krachten als hij is? Hoe kan dat Woord wat goeds teweegbrengen bij het volk van Juda, dat vol van vijandschap en afkeer is tegen ’s Heeren Woord? Ja, hoe zal het ooit kracht onder de volkeren bewijzen, die toch in ’t geheel niet vragen naar de God van Israël?

Maar gevraagd of niet, de Heere komt Jeremia te hulp om hem te bemoedigen bij de zware taak, die hem wacht. De Heere kan bemoedigen met kleine dingen. Hij wijst de profeet op een amandelroede, een tak dus van de amandelboom. Het maakt hier niets uit of die tak in de buurt van Jeremia in werkelijkheid gevonden werd of dat de Heere hem die in een visioen getoond heeft.
’t Gaat tenslotte maar om het onderwijs dat door het gezicht op de amandeltak gegeven wordt. En in dat onderwijs spreekt al de nederbuigende goedheid des Heeren. Zoals Hij nederbuigend goed is voor allen, die waarachtig worstelen met de vervulling van Zijn Woord in eigen leven en daarbuiten.

Wat heeft zo’n amandeltak dan te zeggen?
De amandelboom werd in Palestina vrij veel gevonden, zoals trouwens toch in de landen langs de kust van de Middellandse Zee. Hij kan vergeleken worden met onze perzikboom.
Het behoort tot één van de eigenschappen van de amandelboom, dat de bloesem vóór de bladeren komt.
Bovendien bloeit deze boom zeer vroeg, reeds eind januari of begin februari zijn de rose en witte bloesems al te zien.
Vandaar droeg deze boom in het Hebreeuws ook een naam, die we zouden kunnen vertalen als de wakende of de
wachtende. Terwijl alles nog sliep in de winterslaap in het rijk van de natuur, was deze boom al wakker met de frisse en sprekende bloesem.

En juist om dat laatste gaat het. Dit kleine stukje natuur gebruikt de Heere om wat van Zichzelf te openbaren aan Zijn Profeet. Hij zegt het Zelf: Ik ben wakker over Mijn Woord om dat te doen.
Jeremia wordt niet ontslagen van de roeping om dat Woord te prediken. In ’s Heeren Naam moet hij de boodschap brengen of ernaar gevraagd wordt of niet. Of hij ziet, dat zij ernaar luisteren of dat hij bemerkt dat zij er niet naar luisteren.
Echter: De Heere is wakker om dat Woord te doen! Hij geeft het Woord, Hij doet het prediken, maar Hij vervult het ook. De Heere is vroeg wakend. Geen macht ter wereld is Hem vóór. Geen duivel kan eerder beginnen dan Hij. Het zal voor Jeremia wel anders lijken. Menigmaal zal hij denken dat het Woord niets doet en nooit vervuld wordt noch in afbraak van het zondige
hart van het volk, noch in opbouw van wat Gode welbehagelijk is. Maar nu wil dit onderwijs hem juist bepalen bij een zaak, die hij niet ziet en die nochtans werkelijkheid is.
De Heere waakt al over Zijn Woord, vóórdat het vijandige bestaan tegen dat Woord tekeer gaat.

De Heere blijft waken. Net zo lang totdat Zijn Woord vervuld is. Met die God kan hij de toekomst in, hoe moeilijk en vol strijd die toekomst zal zijn. Trouwens het is niet zijn eigen woord, dat vervuld wordt.
’t Is het Woord des Heeren en die wakende God staat in voor Zijn eigen getuigenis.
Spreekt dit hemels onderwijs niet bemoedigend voor al Gods dienstknechten en voor allen die God vrezen in deze tijd? De aanslagen van de vorst der duisternis verdubbelen en zijn listiger dan ooit. Meer dan ooit komt ook de vijandschap openbaar tegen de afbraak door Gods Woord.
Waakzaamheid is geboden in het prediken van Wet en Evangelie. Bang kan de vraag zijn: Heere, wat zal er van
terecht komen?

Och, misschien leeft die vraag wel in eigen hart, als ge vreest dat de doorwerkende kracht van Gods Woord bij u niet
gevonden wordt. Eigen vijandschap tegen het Woord van vrije genade wordt dan steeds meer ontdekt. De Heere ontslaat geen mens van de waakzaamheid bij Zijn getuigenis. Geen dienstknecht. Geen kind des Heeren.
Maar Zijn waakzaamheid is de waarborg, dat Zijn Woord kracht doet. Hij is wakend, al gaat ge op een weg van duizend onmogelijkheden. Hij is wakend, al schijnt de weg van dat Woord in uw hart ook van alle zijden toegesloten. En Hij geeft Zelf ’t bewijs daarvan, als met een verbroken hart om genade geroepen wordt.
Erg is het als dat Woord voor uw hart en leven geen kracht tot zaligheid is. God waakt over Zijn Woord, als ge in hardigheid des harten tegen dat Woord verhardt.
Hij slaapt niet bij uw zonden en ongerechtigheid. Hij geeft u nog de tijd der lankmoedigheid tot bekering. Een wakend God is een levend God, Die het leven in de weg der bekering wil geven. Zijn Woord gaat door tot aan het einde toe. Al wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan.
Wijlen ds. D. Slagboom (1926-1997

Christelijke levenswandel

‘waardiglijk het evangelie van Christus’
Filippenzen 1:27a
De apostel roept de Filippenzen op tot een wandel “waardiglijk het Evangelie van Christus”. Hij gebruikt het woord “waardiglijk” nogal eens. Zo bidt hij de Efeziërs, dat zij toch wandelen zouden “waardiglijk de roeping waarmede zij geroepen waren”. En de Kolossenzen, dat zij mochten wandelen “waardiglijk den Heere”. Hij vermaant de Thessalonicenzen te wandelen “waardiglijk Gode, Die hen riep tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid”. Voor koning Agrippa zegt hij dat hij de heidenen verkondigt dat zij zich zouden beteren en bekeren, ‘werken doende der bekering waardig”. Wanneer we al deze uitspraken van de apostel met elkaar vergelijken, dan wordt het ons duidelijk, dat hij met een wandel “waardiglijk het evangelie van Christus”, bedoelt: een wandel, zoals toch verwacht mag worden van hen, die de heerlijke beloften van het evangelie ontvangen hebben; van hen, die delen in dat onuitsprekelijke
heil, dat door het evangelie wordt verkondigd. Kortom: een wandel, “waardiglijk het Evangelie van Christus” is een wandel zoals het evangelie die eist van zijn belijders en van de burgers van het koninkrijk van God: een wandel die overeenkomt met de reinheid, de hoogheid en de heiligheid van het Evangelie van Christus. En zo’n wandel acht de apostel zo belangrijk, ja onmisbaar, dat hij het de Filippenzen met al de drang van zijn ziel op het hart bindt: “alleenlijk, wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus!”
En diezelfde vermaning moet vandaag nog met dezelfde ernst en nadruk worden gebracht. Want dat wandelen, waardiglijk het Evangelie van Christus, laat doorgaans veel te wensen over. Dat leven in de tere vreze van God, in ootmoed en nederigheid, in zelfopofferende liefde, zoals het evangelie ons voorhoudt en ons in Christus, het vleesgeworden Woord, volmaakt voorstelt, wordt zo weinig, zo bitter weinig in de praktijk gebracht. En toch: wij weten het en de ervaring leert het ons waar zulk een wandel ontbreekt, daar heerst de dood; waar zulk een wandel
wordt verwaarloosd, daar kwijnt het leven; waar zulk een wandel wordt nagejaagd, daar wordt God verheerlijkt en Zijn kinderen genieten er zelf de vrucht van, namelijk Gods gunst. Waar een wandel, “waardiglijk het Evangelie van Christus”, ontbreekt, daar heerst de dood.
Het eerste kenmerk en duidelijkste kenmerk van het nieuwe leven is toch de lust om de Heere te vrezen, om te wandelen “waardiglijk het Evangelie van Christus”. En daarom: bij wie niets van deze wandel te bespeuren is, daar is nog die geestelijke dood, “want het is onmogelijk, dat wie Christus door een oprecht geloof is ingelijfd, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.” Waar een wandel “waardiglijk het Evangelie van Christus” verwaarloosd wordt, daar kwijnt het leven.
Er wordt veel geklaagd over een ingezonken geloofsleven bij Gods kinderen. En veelal terecht, denk ik. Maar hoe komt het? Daar kunnen verschillende oorzaken voor zijn. Maar de belangrijkste oorzaak is ongetwijfeld dat de wandel “waardiglijk het Evangelie van Christus” maar al te zeer verwaarloosd wordt. En waar de Heere Zelf verband heeft gelegd tussen een godzaligheid en zaligheid, daar kan het niet anders of een slordige levenswandel doet het leven kwijnen. Als de voet niet volvaardig loopt op het pad van Gods geboden, dan komt er een dorheid en donkerheid over de ziel. Maar waar een wandel, “waardiglijk het Evangelie van Christus” wordt nagejaagd, daar
wordt God verheerlijkt en Zijn kinderen genieten er zelf de vrucht van, namelijk de gunst van God. Het eerste is het
hoogste en het grootste: dat Gods eer bevorderd wordt. Maar het is toch ook onzegbaar groot, om Gods gunst te mogen ervaren. “Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede en zij hebben geen aanstoot” Uw liefdesdienst heeft mij nog nooit verdroten. Zou een godvruchtige levenswandel ook niet de beste aanbeveling zijn voor het evangelie? Zou onze naaste er niet door gesticht worden en onder Gods zegen voor Christus gewonnen worden? Dat ons gebed dan mag zijn: Leer mij naar Uw wil te handelen, Ik zal dan in Uw waarheid wandelen, Neig mijn hart en voegt het saam, tot de vrees van Uwe Naam.
Wijlen ds. M Vlietstra

Het werk van de Heilige Geest

´Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het mijne nemen, en zal het u verkondigen’.
Johannes 16:14

De viering van Pinksteren ligt weer achter ons. De ten hemel gevaren Christus heeft Zijn Heilige Geest gezonden naar de aarde die Hij achter Zich liet. Er is werk voor de Geest te doen. Niet omdat het werk van de Zaligmaker niet volkomen zou zijn. Het is immers volbracht, had de Heere Jezus stervend uitgeroepen! Alleen, de verwerving van het heil wacht wel op de toe-eigening ervan in het hart van zondaren. Daartoe is op Pinksteren de Heilige Geest uitgestort op alle vlees. Nu kunnen onmachtige en onwillige kinderen van Adam, kinderen van God worden. Terwijl zij op het diepst vernederd worden, zoals een oude uitdrukking zegt, wordt in hun leven Christus op het hoogst verheerlijkt.
Dat dat de diepe zin van Pinsteren inhoudt, heeft de Heiland al voor Zijn lijden en sterven aangekondigd. Op de avond voor Goede Vrijdag spreekt Hij met de Zijnen over zijn aanstaande vertrek en de op handen zijnde komst van de Heilige Geest. Wat komt Hij doen? Christus verheerlijken. Hem in het middelpunt van de belangstelling plaatsen. Daarbij treedt de Geest Zelf graag op de achtergrond. Hij is er niet op uit om aandacht voor Zichzelf te vragen. Dat moeten we goed in het oog houden als we vanuit Pinksteren luisteren naar de verkondiging van Gods Woord.
Daarin heeft het werk van de heilige Geest zijn legitieme plaats. Maar het grote doel van de verkondiging is de verheerlijking van Christus. In plaats van gesmaad te worden moet hij geëerd en als Zaligmaker benut worden, opdat door het geloof in Hem ook de Vader Zelf verheerlijkt wordt. Dat is de diepste begeerte van de Heilige Geest. Dat is Zijn liefste werk. Hoe gaat de Heilige Geest dat doen? Door het proces tegen Jezus de Nazarener te heropenen. De Geest gaat in die rechtszaak in hoger beroep. En Hij zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel (Johannes 16: 8). Wanneer dat gebeurt, worden de rollen omgedraaid. De Heere Jezus, voorheen gesmaad, bespot, veroordeeld en gedood, zal in Zijn heerlijkheid en luister aan de wereld worden vertoond. En de mensen zullen vervolgens door de mand vallen met hun ongeloof en ongerechtigheid. Zo zien we het ook op de Pinksterdag gebeuren. Op het feest van de Geest draait het om Christus. Hij is de inhoud van de prediking die Petrus aan de
duizenden in Jeruzalem mag brengen. Opvallend is dat de Heilige Geest, naarmate de preek vordert, steeds meer naar de achtergrond verdwijnt. Terwijl Hij deze dag nog wel is uitgestort!
Jawel, maar niet om op te vallen. Hij gaat Christus verheerlijken. En daartoe zet Hij Petrus en de anderen aan om
de Naam van de Heere jezus uit te roepen onder de mensen. De Persoon en het werk van Christus vormt het grote thema van een prediking die door de Geest wordt aangestuurd. En die prediking eindigt met een priemende wijsvinger in de richting van de hoorders: “…deze Jezus, dien gij gekruist hebt.”
Christus verheerlijken blijkt inderdaad met zich mee te brengen dat mensen vernederd worden, ontmaskerd als haters van God en Zijn Gezalfde. De verslagenheid die déze ‘geestelijke’ boodschap bij de hoorders teweeg brengt, lijkt oppervlakkig gezien een dissonant in de feeststemming van Pinksteren te zijn. Niets is echter minder waar. Juist zo geeft de Heilige Geest Zichzelf de gelegenheid om Zijn eigenlijke werk uit te voeren.
Door de verslagenheid die Hij in het hart van mensen oproept, maakt Hij ruimte in hun leven voor de Heere jezus. Ruimte die Hij opvult met de schatten en de gaven die Christus heeft verworven tot heil van zondaren. Vergeving van zonden, herstel van het beeld van God, vernieuwing van het leven, het kindschap van de gelovigen, de Geest haalt het uit de schatkamer van de Borg en deelt het uit aan zondaren. Zo is de Geest de grote Intermediair tussen hemel en aarde: “want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.” Hij stelt door middel van de verkondiging Christus en de zondaar aan elkaar voor. En Hij brengt ze bij elkaar. De Volmaakte en de verlorene.
De Verheerlijkte en de rampzalige. De Liefdevolle en de hatelijke. Hij en ik, door mijn schuld vreemden voor elkaar,
worden door de Geest verenigd zodra ik mij met mijn verslagenheid en besef van schuld aan Hem vastklamp. Zo
word ik zalig en Hij verheerlijkt. Wat een wonder: Zijn eer en mijn heil zijn geen onverdraagzame concurrenten. Die beiden gaan samen waar de Geest aan Christus verbindt. Wat een bemoediging als we uitzien naar dat heil, maar ons afvragen of dat voor zo één nog wel mogelijk is. Wie bidt om het werk van de Geest, vraagt niet om iets waar de HEERE minder van zou worden. Integendeel, waar deze Geest werkt, wordt het waar: `Die zal Mij verheerlijken.` en wat de Geest beoogt, leert Hij de gelovigen: Wat een wonder: eerrovers worden door genade Godlovers. Typeert dat al uw en jouw leven?
Ds. A. van der Zwan

Een bijzondere bron

´en zie, daar vloten wateren uit…´
Ezechiël 47:1

Het is een wonderlijk gezicht dat de Heere de profeet Ezechiël laat zien. Hij is door de Heere geleid naar de deur van de nieuwe tempel, die hem getoond is. En dan ziet hij iets bijzonders gebeuren: wateren stromen uit het heiligdom! En die wateren ontspringen van onder de drempel, de stroom komt vanuit het binnenste van het tempelgebouw. Dáár is dus de bron. Niet naast de tempel, ook niet dichtbij de tempel, maar in de tempel zélf.
Let er even op dat dit aan het eind van dit gezicht nog weer bevestigd wordt. Daar is de stroom van dit water al verder. En Ezechiël ziet dat aan de oever van deze stroom allerlei spijsgeboomte groeit aan beide zijden. Het blad van dat geboomte valt niet af, de vrucht vergaat niet. Elke maand brengt het nieuwe vruchten voort. En met nadruk wordt de reden van deze zeldzame levenskracht vermeld: “want zijn wateren vlieten uit het heiligdom”. Het is alsof God Zelf de betekenis van de bijzondere bron der levensstroom onderstreept. Deze bron is allesbeheersend voor deze stroom. Het gaat niet allereerst om de diepte en kracht van de stroom, maar om de bron.
In deze tempel heeft de Heere Zelf Zijn intrek genomen. Zijn heerlijkheid woont daar van binnen en heeft het gehele gebouw vervuld. God doet daar Zijn deugden uitstralen, omdat Hij in Christus een verzoend God is voor Zijn volk. Alleen in Christus. Anders moeten Gods deugden getuigen tegen verloren zondaren. Maar door schuldverzoening gaat de heerlijkheid Gods weer de tempel vervullen. En nu vanuit dat heiligdom vloeien de wateren.
De stroom van het leven door de Heilige Geest komt uit de bron van de heerlijkheid Gods in Christus. Was dat niet zo, nooit kon die stroom leven brengen in deze wereld en in het hart van de zondaar. De dood zou dan de dood blijven. Maar nu voert Hij het leven uit God in Christus in de dood en gaat het leven overal, waar deze stroom maar komt.
Op de Pinksterdag is die levensstroom gaan vloeien. Door middel van het gepredikte Woord, door het werk van de Heilige Geest. Die stroom komt uit God door het verzoenend werk van Christus. Zo verheerlijkt de Heilige Geest God in Christus. Alle heil en leven is uit God. Pinksteren verheerlijkt het werk Gods in de enige Zaligmaker van een verloren zondaarsvolk. We hebben het Pinksterfeest. Waar spreekt het u van? Van machtige tekenen en opzienbarende dingen? We mogen er niet aan voorbijgaan, maar erg is het als we het grote wonder van Pinksteren voorbijgaan: “Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd zijnde en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen
hebbende van den Vader heeft dit uitgestort wat gij nu ziet en hoort. “ Pinksteren is werkelijkheid geworden vanuit het verzoenende werk van Christus. Uit die bron wordt de Heilige Geest levenwerkend uitgestort.
Wij hebben allen, persoonlijk, het wonder van dat leven nodig vanuit die bron, door de Heilige Geest. Dan pas is de zegen van Pinksteren werkelijkheid in ons leven. Denk maar niet dat we dat niet nodig hebben als we het zo goed weten wat Pinksteren betekent maar nog niet persoonlijk dit leven kennen. Doch juist omdat de bron ligt in God in Christus kan het voor een dode zondaar. Maak er ernst mee voor uzelf. Het is een onuitputtelijke bron. Nooit behoeft iemand te denken, dat die bron leeg wordt voordat God Zijn werk voleindigd heeft en de laatste uitverkorene heeft toegebracht.
En zalig die naar de bron geleid wordt. Die gaat pas verstaan het geheim van Pinksteren. De Heere schenkt alle leven vanuit deze bron door de Heilige Geest. Maar Hij werkt ook in het leven van al de zijnen naar die bron toe. Het leven uit God in Christus doet wat van binnen en naar buiten. Dat kan niet anders. De dood wordt verbroken en vruchten uit God komen openbaar. Maar toch de grond van dit alles ligt niet in henzelf.
Alleen in God in Christus. En daarom leidt God door Zijn Heilige Geest naar de bron. Om God te verheerlijken in dat grote werk, dat Hij naar Zijn welbehagen in Christus gedaan heeft tot verlossing van arme zondaren. Dan is die bron zó vol en zó diep, dat de eeuwige zaligheid vervuld zal zijn met het vertellen van de wonderen Gods!
Wijlen ds. D. Slagboom

Het Leven

‘Maar Hij is opgestaan´
Lukas 24:6m

Pasen, het feest van het derde heilsfeit: de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de dood. Opgestaan dat is het
kernwoord van dit heilsfeit. Zeker….ook opgewekt. Opgewekt door God de Vader. God spreekt daarmee Zijn amen uit op het volbrachte werk van de Zoon. Alles is volbracht. Zondaren kunnen nu volkomen verzoend worden door de voldoening van Christus.
Opgewekt is een onnoemelijk rijk woord, doch opgestaan evenzeer. Zit woord stelt de Heere Jezus centraal. Hij is de opstanding en het leven. Uit kracht van zijn Godheid staat Hij op. Triomfeert over dood en graf. Met Koninklijke luister treedt Hij uit de grafspelonk. “Wat glans, wat majesteit, hebt Gij die Vorst bereid.”
De dood is gedood. De macht van de dood is aan stukken gebroken. Om der zonde wil was alles aan de dood
onderworpen. De dood als de bezoldiging van de zonde. Christus heeft betaald voor de zonde met Zijn lijden, Zijn bloed, Zijn sterven. Daarom kon Hij van de dood niet gehouden worden. En kon Hij de banden van de dood verbreken en opstaan. Op het paasfeest gaat het om de volle, de rijke Christus, Die niet alleen de opstanding en het leven heeft verworven, maar Die nu ook is opgestaan om Zijn verworven heil toe te passen en uit te delen. “Ik leef en gij zult leven.” Christus door Zijn Geest spreekt. En er komt beroering in het dal van de dorre doodsbeenderen. Er komt opstanding, er komt leven. Hij verbreekt de banden van de dood.
Nu is één ding noodzakelijk. Er moet een geloofsverbinding komen aan deze Levensvorst. Is die er niet, dan blijven wij midden in de dood. Dan is er geen opstanding, geen leven. Dan worden we geworpen in de poel van vuur. Dat zal vreselijk zijn.
Leert u zien de macht van de dood over u en in u? Kunt u zich aan die macht ontworstelen? We proberen het wel. Doch het is tevergeefs. De banden die ons omvangen zijn sterk, onze krachten zijn te klein. Goddelijke kracht is daartoe nodig. De opgestane Levensvorst is de Enige Die dat kan en wil. Leert u zien het recht van de dood over u? De dood is er vanwege de zonde. De Opgestane kan en mag de banden van de dood verbreken. Hij is daartoe bevoegd, omdat Hij dood is geweest. Omdat Hij door Zijn dood het recht van de dood aan de dood heeft ontnomen.
Christus naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven. Ligt u nu aan de voeten van deze Levensvorst met de bede: ‘gun leven aan mijn ziel?’
De geloofsverbinding aan de Christus geeft de vrucht van opstanding en leven. Er komt nieuw leven, een leven naar boven gericht, hemelwaarts gericht. Dat leven bidt om leven; dat leven richt zich op de Levensvorst. Dat leven betrekt de levenssappen uit de Levensbron. Dat leven richt zich op de Heere geheel en al. Dan wordt het : God liefhebben boven alles en de naasten als onszelf.
Dat wordt gezien aan de werken van het nieuwe leven. De wedergeboren mens komt openbaar in de liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
Zeker, Gods volk zucht onder het oude en krijgt meer zicht op dat oude. Maar dat is niet anders om uit Christus te leven. De Opstanding en het Leven, om in Hem te wortelen. Die gestorven is voor zondaren, voor goddelozen. Om de
levenssappen al meer uit Hem, die de ware Wijnstok is, te trekken. Om in Hem te zijn, om in Hem te blijven, van Wie
gezegd is: ‘zonder Mij kunt gij niets doen.’
Doch die in Hem blijft brengt veel vrucht voort. De vraag klemt: is nu deze Levensvorst, onze Levensvorst? Laten we dit eerlijk voor Gods aangezicht onderzoeken. Hier is de openbaring van het nieuwe leven. Hij is de Opstanding en het Leven. Hij doet geen half werk. Hij maakt Zijn werk af. Dat ligt vast in Hem. Daarom straks de volkomenheid van dat nieuwe leven. Alle dood teniet gedaan.
De nieuwe hemel en nieuwe aarde. De roep van dat leven is: ‘Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk.”
Wijlen ds. P. van Zonneveld

Het lijdensevangelie van het Lam

´Gij zult een volkomen lam hebben, een mannetje, een jaar oud…´
Exodus 12:5a

De woorden boven deze meditatie staan tegen de donkere achtergrond van de laatste plaag in Egypte. Negen keer heeft de Heere gesproken: ‘Laat Mijn volk trekken”. Maar tegen alle zichtbare en voelbare roepstemmen in hebben de farao en het volk van Egypte zich verhard. Ze hebben het volk niet laten trekken. En nu is de maat vol gezondigd. De Heere zal komen met de laatste plaag. Hij zegt het in vers 12: ‘Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan…’. Alle eerstgeborenen in Egypteland….Dat zijn dus ook de eerstgeborenen van Israël! Want de Israëlietenwoonden ook in Egypteland. En Israël is in zichzelf niet beter dan Egypte. De Israëlieten hebben ook gezondigd. Ze hebben God ook getart, Zijn eer geroofd en Zijn deugden geschonden.
Ze zijn evenals de Egyptenaren kinderen van Adam, die in zichzelf nooit kunnen bestaan voor de heilige God. Ze zullen ook naar recht moeten sterven.
Als de eerstgeborenen van Israël straks toch mogen blijven leven, en Egypteland uittrekken, is dat niet omdat God afstand doet van Zijn recht. De enige reden dat Israël toch aan het oordeel ontkomt, is omdat God komt met het wonder van de plaatsvervanging. Hij gaat Zelf een lam aanwijzen dat moet sterven in de plaats van de eerstgeborene. Naar Zijn recht! Wat voor lam dat moet zijn, lezen we in onze tekst. Drie vereisten worden genoemd.
1. Om te beginnen moet het lam ‘volkomen’ zijn. Letterlijk staat er in het Hebreeuws; volmaakt. Het dier mag niet
ziek zijn, geen wond hebben. Het mag niet blind zijn of kreupel. De verhoudingen moeten goed zijn. Een        ‘volkomen’ lam.
2. In de tweede plaats moet het lam een ‘mannetje’ zijn. Al in de tijd van het Oude Testament was het mannetjesdier het kostbaarste dier. Het was een hogere prijs waard dan een vrouwtjesdier. En daarnaast was het ook zo, dat dit lam straks moest gaan sterven in plaats van de eerstgeboren zoon. Ook daarom moest het een mannetje zijn.
3. Tenslotte moet het lam ‘een jaar oud’ zijn. Dat wil zeggen: in de volle, ongebroken kracht van het leven. Want als een lam een jaar oud was, dan was het volwassen.
Dát zijn de drie eisen die God Zelf stelt aan het lam. Alleen áchter het bloed van een volkomen, mannelijk, eenjarig Lam zal er ontkoming zijn aan het oordeel. Vormt het paaslam zoals het in ons tekstvers getekend wordt, niet een duidelijke heenwijzing naar de Heere Jezus Christus?
a. Christus zal om te beginnen een volkomen lam zijn. Hij zal geen enkel gebrek hebben. Geen enkele zonde. Hij zal
kunnen vragen: ‘Wie overtuigt Mij van zonde?” Als God vanuit de hemel neerziet op Zijn Zoon, ziet Hij een volkomen Lam. Een ‘onbestraffelijk en onbevlekt Lam’ (1 Petrus). Een Lam zonder enige zonde. Een Lam dat Zijn wet volkomen gehouden heeft. Dit offer kan Gods heilig oog behagen!
b. Christus zal in de tweede plaats ook het kostbare lam zijn. Zoals het mannetjesdier het kostbaarste dier was van de
kudde, is Christus in nog veel diepere zin het kostbaarste Lam. Want Hij is Gods geliefde Zoon. En die Zoon heeft
God nu niet gespaard, maar al in stille vrederaad aangewezen als het Lam Gods. Wat spreekt daarin de liefde van God voor verloren zondaren! Kostbaar wordt dit Lam echter ook voor Zijn Kerk. Tegen de achtergrond van
hun schuld, hun rechteloosheid, hun doemwaardigheid. Maar niet minder tegen de achtergrond van Gods
dienenswaardigheid. ´U dan die gelooft, is Hij dierbaar´, schrijft Petrus. Mag het ook u gelden?
c. Christus is in de derde plaats het Lam, Dat zal sterven in de kracht van Zijn leven. Op drieëndertigjarige leeftijd. O zeker, Zijn kracht is gebroken in een weg van lijden. Maar  vergeten we niet: dat heeft Hij vrijwillig ondergaan. Als Hij sterft, legt Hij machtig en gewillig Zelf Zijn leven af. Wie is dit Lam voor ù? Van nature verachten wij Hem Jesaja 53:2-4. Omdat we ons thuis weten in het donkere Egypte van de zonde. Wat is het nodig dat we ons Egyptisch zondebestaan en onze afkomst uit Egypte persoonlijk ontdekt krijgen. Dan zullen we, net als Israël, gaan roepen vanuit de ellende Exodus 2:23. Wat een wonder als zulke roepers een weg van ontkoming wordt aangewezen bij God vandaan, in het Lam. Maar tegelijk: we zullen ons dan ook geen rust mogen gunnen voordat we persoonlijk mogen wéten, te schuilen achter het bloed van dit Lam!
Ds. A. J. T. Ruis.

Een brutale melaatse?

                ‘Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.’
                             ‘Ik wil, word gereinigd!’
                                        Matth. 8:1-4

Zou er voor mij nog genade te verkrijgen zijn? Dat is de vraag waar mensen mee kunnen zitten. Wat kan het
moeilijk, ja onmogelijk worden, om dat te geloven, juist als je zicht hebt gekregen op de veelheid en de grootheid van je zonden. Ondertussen is het wel van levensbelang dat er zekerheid komt omtrent deze vraag. De geschiedenis van de genezing van de melaatse wil ons erbij helpen.

Melaats-onrein.
We ontmoeten deze melaatse temidden van de vele scharen die na afloop van de Bergrede Jezus volgen. Vele volgelingen zien in Hem een groot profeet. Maar deze man heeft behoefte aan meer dan een profeet. Daarom wordt hij er door Mattheüs uitgelicht. Hij volgt niet alleen, maar hij “komt” tot Jezus. Dat is een wonderlijke zaak als je de man nader bekijkt. Hij is immers melaats en een melaatse moet op een afstand blijven. Dat vereist de ernst van zijn ziekte. Niet alleen heeft hij vuile zweren
en builen op de huid, maar heel het lichaam is ongeneeslijk ziek. Langzamerhand wordt heel het lichaam verminkt. Voor de veiligheid van de mensen heeft de wet van Mozes voorgeschreven dat een melaatse uitgesloten wordt van de
maatschappij, en trouwens ook van de eredienst. Dat laatste komt ook omdat een melaatse ‘onrein’ is in
geestelijke zin. De joden hebben melaatsheid van ouds gezien als een teken van de vloek van God over het leven van de zondaar. In die zin is deze man een beeld van ons allen. Zijn we er al aan ontdekt? Dat moet, ook opdat er ruimte komt in het hart voor Christus. Bij deze man is dat blijkbaar gebeurd. Hij heeft niet alleen zijn ziekte ondervonden, maar ook iets van de diepe nood van zijn zondaarsbestaan gepeild. Dat blijkt uit zijn eigen woorden; hij behoeft niet zomaar genezing, maar reiniging.

Vertrouwen
Behalve dat hij door zijn vraag aan de Heere iets over zichzelf verraadt, blijkt ook uit die woorden hoe hij tegen de Zaligmaker aankijkt. Wat blijkt dan? Dat hij een zeker vertrouwen in Hem heeft. Dat blijkt allereerst uit de aanspraak: Heere! De melaatse erkent Hem als de machtige Heere. Die in staat is om ellendigen te helpen. Dat zegt hij vervolgens ook met zoveel woorden: ‘ indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen”. Ik weet niet of U dat wilt, maar als U bereid bent mij te helpen, dan kunt U het doen!

Is dat misschien ook de taal van uw hart? Dat Hij het doen kán,
geloof ik wel, in ieder geval voor ieder ander! Zo kunnen we daarmee bezig zijn. Maar heeft u het al zo tegen de Heere Zelf gezegd? En dan zo persoonlijk als deze melaatse: ‘indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.’ Niet een ander maar mij! Zo de Heere aan te roepen is een daad van geloof. Het is nog wel pril. Het is misschien ook een geloof met veel twijfels, omdat je zegt: het zou terecht zijn als Hij mij weg zou sturen want ik ben een onreine. En toch: wie zo die nood aan Hem bekend maakt en vertrouwen mag oefenen in Zijn macht…..die wordt in dat vertrouwen niet beschaamd. Dat heeft de melaatse ook ondervonden. De Zaligmaker loopt niet weg en stuurt hem niet weg. Dat duldt Zijn zondaarsliefde niet. Hij is gekomen verlorenen te zoeken en ellendigen te verlossen. Als een zondaar tot Hem komt, dan vindt hij genade. Het antwoord bewijst het.

Woord en daad.
Eigenlijk gebeuren er twee dingen. Jezus antwoordt in woord en daad. Zijn woord is een heerlijk getuigenis van Zijn
ontferming: ‘Ik wil!’, zegt Hij. Is dat geen bemoediging voor wie twijfelt aan Zijn bereidwilligheid? Jezus zegt: ‘Ik wil’. En Hij zegt ook: ‘wordt gereinigd’. De macht waaraan de melaatse man zich vastklampte wil Hij in dienst stellen van Zijn liefde. Zo is de Heere Jezus. Hij heelt gebrokenen van harte en Hij verbindt ze in hun smarten, die in hun zonden en ellende tot Hem zich ter genezing wenden!

Hoe?
Hoe de Heere Jezus dat kan doen? Hoe dat gaat? Let dan ook op Zijn daden. Want nog voor Hij met Zijn mond het antwoord geeft, ligt daar al een antwoord in. De melaatse, die tot Jezus kwam….hij heeft gehoopt op ontferming. Van de mensen hoefde hij het niet te verwachten, die deinsden bij het zien van zijn verminkte lichaam verschrikt opzij. Maar zo niet de Zaligmaker. Die stapt niet opzij of achteruit, maar op hem toe. En dat niet alleen, Hij raakt hem nog aan ook! Teken van meeleven? Dat ook! Teken van gemeenschap met deze uitgestotene? Dat ook! Maar niet alleen. Hij is niet alleen medelijdend, want dan had je er nog niets aan. Maar Hij is de schuldovernemende Borg. Dat blijkt als Hij de melaatse aanraakt. Want wie een melaatse aanraakt, wordt zelf onrein. En zo neemt Christus – met dat Hij de melaatse reinigt – de ziekte over, om hem mee te dragen naar het vloekhout van Golgotha. Ziet u Hem? Is Hij geen liefdevolle Borg? Hij is de Zaligmaker van hopelozen. Hij is de Redder van verlorenen. En Hij kan dat doen omdat Hij hun nood tot de Zijne maakt. Hij maakt Zich één met zondaren. Hij ruilt met hen van plaats. Zij
de reinheid en het leven.

Hij de onreinheid en de dood! Zo openbaart Hij Zichzelf in Zijn Woord als de bereidwillige
Borg. En Hij vraagt om geloof. Geloof dat Hij Zelf bovendien wil schenken en dat het uit Zijn mond mag horen: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’
Ds. A. van der Zwan.

Zalig de treurenden

´Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden´
Mattheus 5:4

De wereld is een groot tranendal. Niemand die weldenkend door dit leven gaat zal dit betwisten. Het kind komt huilend ter wereld en wordt niet zonder tranen groot. Wat een tranen kunnen er gehuild worden over de pijn die men moet lijden op een ziekbed. Of over de teleurstellingen die men moet ervaren. Wat een tranen van verdriet bij rouw en verlies. Hoeveel tranen hebben vaders en moeders als ze zien wat een ellenden hun kinderen moeten meemaken, ook het verdriet wat ze van hun kinderen hebben. Al deze genoemde tranen en nog veel meer, zijn niet de tranen van de treurigen die door de Heere worden zalig gesproken. Want als dit het geval was, als ieder die treurde zalig zou worden dan ging er geen mens verloren, omdat er niemand op de wereld is die geen tranen heeft. Dat alle mensen zalig worden kunnen wij niet geloven. De bijbel spreekt daar anders over. De meeste tranen die geschreid worden moeten we rangschikken onder de droefheid der wereld. Dat is een wereldse droefheid die de dood werkt. Zalig zijn die treuren. Daar worden mee bedoeld de armen van geest, of de geestelijk armen. Die aan hun zonden en schuld en daarom ook aan hun Godsgemis zijn ontdekt geworden. Zij kennen de zielesmart hierover dat zij zozeer gezondigd hebben, dat ze door hun overtredingen de Allerhoogste Majesteit, een goeddoend God beledigd hebben. En ook hierom dat ze een hart hebben dat nooit wil wat God wil. En nu moeten zij vaak om de zonde, leven onder de verbergingen van Gods aangezicht. Want God is een God die zich om wijze oorzaken zich wel eens een ogenblik verborgen houdt. Net als een moeder die zich wel eens verbergt voor haar kind dat weggelopen is. Wat kan een kind dan een verdriet hebben als het terug komt en moeder niet ziet. Wat kan het dan gaan roepen om moeder, verlangen naar moeder. Dan is er verdriet, dat zijn daar tranen omdat ze moeder niet ziet. Zulke tranen worden nu ook door een treurende naar God geschreid, ze zijn God kwijt en God niet meer te kunnen missen. Zulke tranen verraden een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Zij schreien dus geen tranen over de gevolgen van de zonde, maar om de zonde zelf. Hun tranen zijn hun daarom tot spijze dag en nacht.
Het is niet zo dat zulken met hun tranen te koop lopen. Verre van dat. Zij worden meestal in het verborgen geschreid. Ook al worden de tranen niet altijd in de ogen gezien, ze zijn er wel in het hart. Zulke tranen nu, uit een droefheid naar God, zijn parelen gelijk, ze zijn dierbaar in Gods oog. Kent u zulke tranen? Want zulken worden zalig gesproken,
gelukkig verklaard. Dat doen de treurigen zelf niet, nee, zij gevoelen zich vaak ongelukkig vanwege de zonde en de
ongerechtigheid. Maar de Heere spreekt hen zalig. Hij zegt het. Het is waar, het zijn toch zalige tranen, zoete tranen, want het getuigt van een droefheid naar God. Deze dingen verstaat de wereld niet. En de schijnvrome die altijd zingen kan verstaat dit evenmin. Maar Gods kinderen verstaan dit. Verstaat u het ook? Dan bent u zalig en zal vertroost worden. Niet door mensen, want dat zijn moeilijke vertroosters, maar door God zelf. Hij doet het. En daar mag hier op aarde bij tijden iets van ondervonden worden. Wanneer door het geloof verstaan mag worden dat de Heere geen zonden meer ziet in Zijn Jacob en geen ongerechtigheid in Zijn Israël. Als Hij Zijn aangezicht in gunst over hen doet lichten, dan komen er zelfs tranen van vreugde en blijdschap. Eens zal de dag van de volle vertroosting komen, dan zal God alle tranen van hun ogen afwissen. Dan zal eeuwige blijdschap op hun hoofden wezen.
Ja, hun blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van Zijn aangezicht straalt ten hoogste toppunt stijgen.
Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden. Die dit treuren niet kennen, voor hen is geen troost weggelegd. Voor hen schiet niets anders over dan eeuwig wenen. Hoe zal het met u zijn in de eeuwigheid? Wenen of blijdschap?
Wijlen ds. H. C. van der Ent

De adeldom van de bedelstaf

´Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen`
Mattheüs 5:3

Deze woorden van de Zaligmaker staan haaks op onze menselijke gedachten en gevoelens. Naar ons besef komen vooral mensen die veel bezitten en in aanzien staan in aanmerking om gelukkig geprezen te worden. De Heere Jezus
zegt echter dat niet de rijken maar de armen welgelukzalig zijn. Daarbij moeten we wel bedenken dat het hier gaat om een bijzonder soort van armoede. Het gaat hier met nadruk over de armen van geest.

Wat zijn dat eigenlijk voor mensen? Wel, hun armoede raakt niet zozeer de buitenkant van hun leven maar hun innerlijk. Letterlijk staat er in de oorspronkelijke tekst voor ‘armen van geest’ namelijk ‘geestelijke bedelaars’. We zouden kunnen zeggen dat het hier gaat over mensen die in geestelijk opzicht tot de bedelstaf zijn gebracht. Nu is de meest opvallende trek van een bedelaar dat hij niets bezit. Hij is straatarm! De armoede is zijn hele leven gaan beheersen. Iedere dag wordt hij aan zijn ellendige omstandigheden herinnerd en hij weet dat hij zal omkomen als hij de straat niet opgaat om te bedelen, om zijn lege hand op te houden. Zo zijn er ook mensen die in geestelijk opzicht bedelaars zijn geworden omdat ze hun innerlijke armoede gingen inleven. Nu maakt de bijbel ons duidelijk dat ten diepste alle mensen straatarm zijn in Gods heilige ogen. Door de zonde zijn wij onze geestelijke rijkdommen kwijtgeraakt en missen we alles. Alleen….we zien dat van nature niet. We leven in de waan dat het er met ons nog niet zo slecht voorstaat. We zijn rijk en verrijkt en het ontbreekt ons aan niets. Maar als Gods Geest in ons leven gaat werken, ontdekken we hoe arm wij eigenlijk zijn. We gaan inzien dat we in Gods ogen alles missen. We komen er achter dat we geestelijk niet aan een aantal dingen gebrek hebben maar dat we straatarm zijn.

Wat gaan we dan missen als we onze armoede voelen? We ontdekken dat we blind zijn, dat we geen echte kennis bezitten van God, van onszelf en van Christus. We gaan beseffen dat er bij ons geen mogelijkheden zijn om de blinde ogen van ons hart te openen. Daarom gaan we bedelen; Heere open U mijn ogen; leer mij wie Gij zijt, wie ikzelf ben en wie Christus is; geef mij verstand met goddelijk licht bestraald. Eén van de dingen die ons ontbreekt, is boven alles gerechtigheid. In het licht van de bijbel gaan we verstaan dat onze verhouding met God een verbroken verhouding is. We zien dat er tussen de Heere en ons bergen van schuld staan en dat wij die schuld nooit kunnen betalen. Er blijft niets anders over dan, om als een bedelaar te vragen: Heere verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens genade!
We gaan ook heiligheid missen. We ontdekken dat ons leven vanaf onze geboorte niet overeenstemde met Gods geboden. We gaan inleven dat ons hart vol is met onreinheid. We leren onze bedelaarshanden uitstrekken naar de Heere en smeken: schep mij een rein hart o God en vernieuw in mij een vaste geest! In één woord, we zijn God kwijt en dat gemis gaat branden in ons hart omdat we voelen dat we God niet kunnen missen. Zo komen we op onze knieën terecht en bidden: o God, wees mij de zondaar genadig.
Dit bidden wordt ook bedelen genoemd omdat een bedelaar geen recht heeft. Hij is afhankelijk van de ander, de gever. Zo is het ook met geestelijke bedelaars. Zij hebben niets in zichzelf maar voelen ook dat ze Gods gunst niet hebben verdiend. Toch kunnen ze Hem niet loslaten, zulke bedelaars gaan op hun knieën voor Gods genadetroon. Hij voelt zich verbonden met de tollenaar die achter in de tempel stond.
En toch…zulke mensen noemt de Heere Jezus zalig. Daar begrijpt de wereld nou niets van. En die bedelaars zelf? Ze
durven het ook niet te geloven. Ik…zalig? Ik voel me alleen maar arm en ongelukkig. Toch zegt de Zaligmaker, zalig zijt gij als gij als een geestelijke bedelaar uw hand moet ophouden. En daar blijft het niet bij. De Heere Jezus voegt er ook nog een belofte aan toe: want hunner is het koninkrijk der hemelen. Wat dat koninkrijk is? Het is het rijk waar God Koning is. Het rijk waarin de banden van de zonden en de dood verbroken worden. Het rijk waarin alleen gerechtigheid woont en verlossing te vinden is. Dat koninkrijk is neergedaald in Christus. In Hem heeft God Zijn rijk opgericht in deze gevallen wereld. In dat koninkrijk is geen armoede meer maar alleen rijkdom. Waarin die rijkdom bestaat? Die bestaat in wijsheid, gerechtigheid en heiligmaking, ja in een volkomen verlossing. Deze onmetelijke schatten worden aan geestelijke bedelaars toegezegd. Zij beseffen dat ze arm zijn aan kennis en inzicht.
Maar deze Koning belooft hen de ogen te openen en wijsheid te schenken in de dingen van Zijn koninkrijk.
Zij erkennen dat zij de gerechtigheid missen. Hij laat echter zien dat er bij Hem een onuitputtelijke rijkdom is aan gerechtigheid, aan vergeving van zonde en schuld. Zij staan met lege handen, die bovendien nog bevlekt zijn, omdat zij geen heiligheid bezitten. Maar bij deze Koning is een volheid aan heilige woorden en werken, aan heilige gedachten en verlangens. Hij wil hun hart reinigen en hen leiden op de weg der zaligmaking. Ja, al die schatten van dit koninkrijk wil de Zaligmaker uit genade aan bedelaars schenken! Die zaligheid ontvangen zij niet pas in de toekomst. Nee, in dit leven wordt al iets van deze rijkdom ervaren, al zal de volle betekenis van deze zaligspreking pas in de eeuwigheid beleefd worden.

Misschien zegt iemand: Die schatten ken ik niet, ook niet in beginsel. Ziet u dan uw armoede niet? Zou u niet gaan bedelen aan de troon van zijn genade? In het koninkrijk van deze Koning is het niet verboden om te bedelen. Hij heeft het Zelf gezegd dat Hij juist op armen en verslagenen van geest wil
neerzien en op hen die voor Zijn woord beven. Ja, mensen die zichzelf tot de bedelstaf brachten, worden de edelen van Zijn koninkrijk. Bij de mensen onmogelijk, maar mogelijk bij God.
Wie is aan onze God gelijk?
Die armen opricht uit het slijk?
Nooddruftigen van elk verstoten,
goedgunstig opheft uit het stof,
en hen, verrijkt met eer en lof,
naast prinsen plaatst en wereldgroten
Prof. A. Baars

Geen vrees

Vrees niet! (Lukas 1:13)

Wonderlijk zijn de woorden van onze tekst. Op het moment dat ze klinken – in het heilige van de tempel – heeft Zacharias zojuist het reukoffer gebracht. Hij heeft handen vol reukwerk gestrooid op de gloeiende kolen van het gouden reukofferaltaar. En terwijl een rookwolk omhooggaat, buigt hij zich voor het altaar neer en stijgt uit zijn hart het gebed op. Of de Heere Zijn arme volk in deze donkere dagen genadig wil zijn. Of Hij wil komen met Zijn verlossing. Of Hij Zijn belofte wil vervullen en de Messias wil zenden. Wanneer Zacharias zo als priester gebeden heeft in het heilige, en zijn ogen weer op het altaar richt, maakt een grote schrik zich van hem meester.
Want aan de rechterzijde van het altaar ontwaart hij een engel. Eén van Gods boodschappers. Afkomstig uit de tempel, waar alles spreekt van Gods heerlijkheid en majesteit en heiligheid. En iets van die heerlijkheid en heiligheid straalt van deze engel af. Zacharias schrikt hevig. Waarom? Is dat omdat hij op dit moment niemand had verwacht in de stilte van het heilige? Brengt de plotselinge verschijning hem van zijn stuk? Nee, we moeten dieper afsteken. Want hier, in het heilige van de tempel, vindt een ontmoeting plaats tussen een hemelbode van de heilige, majesteitelijke God en een zondig mensenkind. Al doet Zacharias als priester dienst in het heilige, al staat van hem geschreven dat hij ‘wandelde in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk’, toch is hij een zondig, onheilig mensenkind, die niet kan bestaan in het licht van Gods heiligheid. Zelfs niet, wanneer die heiligheid alleen nog maar afstraalt van een engel. Daarom schrikt Zacharias. Kent u, ken jij die schrik? Omdat God in Zijn heiligheid en majesteit u tegenkwam? En u zichzelf – juist in het licht van Gods heiligheid en majesteit – ging ontwaren zoals u werkelijk voor God bent. Als een onheilige, een onreine. Die voor de heilige  God niet bestaan kan. Niet met uw zonden. Niet met uw zondige hart, die vuile bron van al uw wanbedrijven. Maar ook niet met uw zogenaamde goede werken, die ten diepste niets
anders zijn dan blinkende zonden. Wie zich zo leert kennen, beseft: Ik heb alles te vrezen! De vloek van Gods wet, die mij veroordeelt. De toorn van een heilige God. Zacharias kende er iets van. Paulus kende er iets van, want hij zegt: ‘Wij dan wetende de schrik des Heeren…’En u? En jij? Niet vrezen. Voor zulke mensen wordt het een wonder, als de
Heere heel persoonlijk datgene zegt, wat Hij bij monde van de engel ook heel persoonlijk tegen Zacharias zegt: ‘Vrees niet, Zacharias!’ O ja, Zacharias, in uzelf hebt u alle reden om wel te vrezen. U kunt in uzelf niet bestaan voor Mij, de heilige God. Zelfs niet wanneer u in het heilige van de tempel priesterdienst verricht. Maar wanneer Ik zeg, dat u niet te vrezen hebt, dan hebt u ook werkelijk niet te vrezen. Als God het zegt….Wat is dat nodig voor ons allen! Dat we het ‘Vrees niet!’ heel persoonlijk horen uit zijn mond. U moet het niet horen uit de mond van een ander mens. U moet het niet horen uit de mond van een dominee – het zou een valse profeet kunnen zijn, die spreekt van ‘vrede, vrede, geen gevaar’. Maar u moet het horen uit de mond van niemand minder dan de Heere Zelf. Is uw kerkgang, ook in de adventsweken, gestempeld door het gebed: “Heere, ik ben niet waardig dat U onder mijn dak zou inkomen, maar spreek slechts dit ene woord: Vrees niet!’ Ja, vraagt u, maar hoe kan God dat zeggen? Hoe is het mogelijk dat de heilige God tegen mij, zondig en onheilig mensenkind, zegt: Vrees niet!? Dat kan alleen vanwege datgene wat de engel hier vervolgens zegt tegen Zacharias: ‘Uw gebed is verhoord.’ Welk gebed bedoelt de engel hier? Het gebed van Zacharias en Elizabeth om een kind? Nee. Allereerst gaat het om het gebed dat Zacharias zojuist als priester voor het volk heeft opgezonden. Terwijl een wolk van reukwerk van het reukofferaltaar omhoog steeg, steeg immers ook het gebed van de priester omhoog: ‘Heere, wees uw arme, wachtende volk genadig. Kom met Uw genade. Kom met de vervulling van de belofte van de Messias. Dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.” Dat adventsgebed heeft de Heere verhoord. Letterlijk staat er in de grondtaal: Uw gebed werd verhoord. Hoe? Omdat God in de stilte van de eeuwigheid zijn Zoon al aangesteld heeft tot een Middelaar. En straks zal Hij Zijn Zoon zenden naar een wereld verloren in schuld. Straks zal die Zoon geboren worden. Geboren worden om te lijden en te sterven. Vanaf het allereerste begin zal Zijn weg een weg van angst en vrees zijn. We zullen het Hem horen zeggen:  Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?’ (Johannes 12:27). We zullen van Hem lezen, dat Hij droevig en zeer beangst begon te worden’ (Matt 26:37). Hij zal het zeggen tegen Zijn discipelen: ‘Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe’( Matt.26:38). Met welke bedoeling zal Hij die diepe weg moeten gaan? Opdat verloren zondaren, die alles te vrezen hebben, het mogen horen uit Gods mond: ‘Vrees niet!’ Geen vrees meer voor hen, maar wel angst en vrees voor Hem.
De wonderlijke woorden van onze tekst rusten op de grond van Christus’ diepe lijden en sterven. Hem vrezen…. Mocht u dat door genade leren? Ging u zien dat u zelf alles te vrezen hebt en mocht u buigen onder de Heere?
Mocht u het heel persoonlijk uit de mond van de Heere vernemen: ‘Vrees niet!’? En mocht u ook zien, op welke grond die woorden nu rusten – op de grond van Christus’ verdienend lijden en sterven? Dan is er in uw leven ook een verlangen gekomen. Een verlangen om Hem te vrezen als het allerhoogst en eeuwig Goed. Daar zingt Zacharias straks zelf van: ‘Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden, in heiligheid en gerechtigheid voor hem, al de dagen van ons leven.’ Daar werkt de Heere op aan. Daar kunnen net als in het leven van Zacharias ook tijden van zwijgen, van moeten zwijgen, aan voorafgaan. Maar aan het einde van Lukas 1 treffen we een zingende
priester aan. God heeft zangstof gegeven. God heeft Zacharias’ tong losgemaakt. ; Hij geeft hem opnieuw een danklied tot Zijn eer.’ En dan heft Zacharias de lofzang aan. Zeg eens, kunt u, kun jij ook al instemmen met die lofzang van Zacharias?
Ds. A. J. T. Ruis