Nochtans

“Wie is er onder ulieden die de HEERE vreest? Die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN en steune op zijn God. “ Jesaja 50:10

Een rechtstreekse vraag aan het begin van deze meditatie: ‘Vreest u de Heere?’ Het is de vraag die Jesaja aan zijn gehoor stelt. En die nu aan u gesteld wordt. Een fundamentele en alles beslissende vraag. Let erop dat het een persoonlijke vraag is. Gesteld in het enkelvoud. Door de Heere in Zijn Woord heel persoonlijk aan het hart gelegd: “Behoort u tot degenen die Mij vrezen?” Denk niet dat de Heere een vraag stelt waarop Hij het aan u overlaat
om al dan niet een antwoord te geven. Nee, Gods vinger is naar u uitgestrekt. “Hoe is dat met u? Vreest u mij? “ Een vraag die om antwoord roept.
Wat is het kenmerk van degenen die de Heere vrezen? Ze horen naar de stem van Zijn Knecht. Met een hoofdletter! Die Knecht des Heeren is in dit hoofdstuk aan het woord. Hoor wat Hij zegt: “De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven. Opdat ik wete met de moede een woord te rechter tijd te spreken….” (vers 40. Deze Knecht is dus de Profeet van de allerhoogste God. En Hij zegt nog meer: “Ik geef Mijn rug degenen die Mij slaan. En Mijn wangen aan degenen die Mij het haar uitplukken. Mijn aangezicht verberg ik niet voor smaadheden en speeksel” (vers 6). Wie is Hij, deze Knecht des Heeren? Hij is de gesmade Zoon des mensen, die geen gedaante en heerlijkheid had. Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen. Hij heeft Hem krank gemaakt. Hij heeft Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld. Wie Hij is? Vraagt gij Zijn naam? Zo weet dat Hij de Christus heet.
En nu zijn degenen die de Heere vrezen: degenen die naar Zijn stem horen! Het is het volk dat het geklank kent. Dat Zijn stem herkent. Het zijn Zijn schapen, de schapen Zijner weide. Want zegt de Heere Jezus: “Mijn schapen horen Mijn stem. En Ik roep Mijn schapen bij name. En Ik leid ze uit!” Kent u Hem? Hoort u ook naar Zijn stem? Heeft Hij door genade Zich in die stem geopenbaard? Hebt u Hem leren kennen? En begeert u te vervolgen Hem te kennen? Kunt u daarom niet meer zonder Hem leven? Zegt u het: “Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht! Ik zoek Uw aangezicht, o Heere. Verberg Uw aangezicht niet voor mij. Keer Uw knecht niet af in toorn…” Kunt ook u met niemand anders uw leven vervolgen dan met Hem?
En nu lezen we van degenen die de Heere vrezen, van hen die naar de stem van de Knecht des Heeren horen: ze wandelen in de duisternissen en ze hebben geen licht. Vindt u dat niet vreemd? Je zou toch juist van dezen verwachten dat ze in het licht wandelen? In plaats van in de duisternis. Ja, wij kunnen dat wel denken. Maar toch lezen we hier: ze wandelen in de duisternis. En ze hebben geen licht! In Jesaja 50 zijn het de ballingen in Babel.
Ze missen de gemeenschap met de Heere. En ze denken dat de Heere hen verlaten en vergeten heeft ( 49:14). Het is voor hen aan alle kanten donker. Voor hun besef is het licht gedoofd. Hun hoop is vergaan en hun moed is ingezonken. Zo kan het inderdaad zijn in het leven van Gods kinderen. Dat het aangezicht van de Heere voor hen onzichtbaar geworden is. Onze belijdenis zegt over het aanschijn van de verzoende God, dat de aanschouwing daarvan voor de godvruchtigen zoeter is dan het leven en de verberging bitterder is dan de dood. De oorzaken van deze verberging kunnen onderscheiden zijn. Die kunnen liggen in zonden en overtredingen. Zodat de Heere in
het leven van zijn kinderen komt met tuchtigingen en kastijdingen. Denk maar aan de mensen in Babel.
Maar het kan ook anders. De Heere, Hij leidt Zijn heiligen altijd wonderbaar! (Kohlbrugge). Altijd heel anders dan zij het zich hebben voorgesteld. Zijn weg met hen gaat door een diepe zee. Belooft Hij hun het licht, dan maakt Hij alles duister. Belooft Hij hulp, dan wordt elk steunsel verbroken. Waar Hij wil bouwen, daar breekt Hij af. Waar Hij wil oprichten, daar keert Hij om. Waar Hij wil troosten, daar maakt Hij zielsbedroefd. Dat is de verborgenheid van Gods soevereine weg. Zijn weg is in de zee en Zijn pad in grote wateren. Maar zo leidt Hij Zijn volk. En Gods Kerk roept het uit: “Wie is als Gij?”
Waar komt het dan op aan? Op dat wat we vinden in onze tekst: te betrouwen op de Naam des Heeren. En te steunen op mijn God! Dat is geen gemakkelijk werk. Dat is zelfs een onmogelijk werk. Dat is midden in de nacht toch daaraan vasthouden: “God is mijn Licht, wie zou ik vrezen….” En dat is midden in de duisternissen en de golven nochtans betrouwen op de Rotssteen des Heeren. En in de grootste droefheid het
desondanks belijden: “Zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen. Ik zal mij verheugen in de God mijns heils. De Heere HEERE is mijn Sterkte.” Het is met Paulus en Silas zingen in de nacht.
Hoe zal dat kunnen? Het is vanuit mezelf onmogelijk. Het kan alleen in de gemeenschap met de Knecht des Heeren. Het is genade! Namelijk als ik door de verborgen werking van Gods Geest leef uit die Christus, Wiens weg geen andere was. Dieper dan iemand anders ging Hij de duisternis in. Zijn weg ging door lijden tot heerlijkheid. Door de dood tot het leven. En op die weg neemt Hij ze allen mee die door het waarachtig geloof een plant met Hem zijn geworden. Dan kan ik niet anders dan achter Hem aan, de overste leidsman en Voleinder des geloofs. Maar dit is mijn troost waar ik dan ook kom – hoe zwart de nacht ook is – Hij is er al geweest en Hij heeft het pad al gebaand. Dan kan het in de duisternis toch zijn: “Ik steun op God, mijn Toeverlaat. Dies heb ik niets te vrezen. Wie God
vertrouwt, dien deert geen kwaad. Uw tent zal veilig wezen…” Is dat ook uw perspectief?
Ds. J.M.J. Kieviet

Van hart tot hart

‘Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE, wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving….’
Psalm 130:3

‘In de psalmen zie je de heiligen in het hart. ‘ Die woorden zijn overbekend. Hoe komt het toch dat juist in de psalmen mensen ons zo’n blik gunnen in het hart? Zou de reden niet zijn dat we hier mensen tegenkomen die tot God naderen en hun hart voor Hem leerden openleggen? Waar dat gebeurt, worden de dingen die in het hart leven zo doorzichtig. Als we zo een blik werpen in het hart van deze dichter, zien we niet veel goeds. Hij erkent dat zijn hart vol is van ongerechtigheden. Dat heeft hij bij het licht van Woord en Geest ontdekt. Zo heeft hij leren inzien dat
hij door zijn zonden Gods wet heeft overtreden en schuldig staat voor Zijn hoge majesteit. Daarom belijdt de dichter ook met een verbroken hart: ’Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat; wie zal bestaan?’
Eigenlijk heeft dat woord ‘gadeslaan’ verschillende betekenissen. Het wil allereerst zeggen: nauwlettend bezien.
De Heere beziet de ongerechtigheden nauwkeurig. Daarbij ziet Hij meer dan iemand anders kan ontdekken. Hij weet niet alleen van onze woorden of onze daden, ook onze gedachten en de overleggingen van ons hart liggen open voor Hem. Bovendien: de Heere doorgrondt dat alles! Hij ziet onze zonden in hun ware gedaante en hij doorschouwt het bedrieglijke van ons hart volkomen. Als Hij – de Alwetende – mijn ongerechtigheden gadeslaat, wie kan dan bestaan? Het woord ‘gadeslaan’ heeft ook de gevoelswaarde van : in gedachtenis houden.
De Heere vergeet niet één zonde die Hij gezien heeft. Wij mensen vergeten de overtredingen van vroeger heel
gemakkelijk. Aan veel zonden uit het verleden willen we ook liever niet denken. We hebben ze begraven onder het zand van de tijd. Maar God is ze niet vergeten. En als Hij ons door Zijn Woord en Geest aan onze ongerechtigheden herinnert, gaan we ontdekken dat Hij van al het kwaad dat we deden afweet. Onze zonden komen terug: de zonden van onze kinderjaren, de zonden bij het ouder worden. Als Hij Die de ongerechtigheden in gedachtenis houdt – al het kwaad dat ik bedreven heb voor ogen stelt, wie kan dan bestaan?
De uitdrukking aan het begin van onze tekst heeft een derde betekenis. We zouden de woorden nl. ook zo kunnen lezen: ‘Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden toerekent….!’ In Gods ogen zijn we ten volle verantwoordelijk voor onze zonden. Wij kunnen proberen ons te verschuilen achter allerlei verontschuldigingen. Wij kunnen ons mogelijk beroepen op verzachtende omstandigheden. Maar God rekent ons de ongerechtigheden toe, ten volle. Als Hij – Die de strikt Rechtvaardige is – mij verantwoordelijk stelt voor al mijn zonden, wie kan dan bestaan?
De tekst geeft op deze indringende vraag geen direct antwoord, Toch behoeven we geen moment te aarzelen welk antwoord bij deze vraag past; Niemand kan voor deze heilige God bestaan! Wij allen hebben immers gezondigd en ons vergrepen aan Gods hoge Majesteit. En deze Majesteitsschennis roept om het zwaarst denkbare vonnis: de dood! Zo hebben wij alle bestaansrecht voor God verzondigd en de dood over ons gehaald. Daarom spreekt de psalmdichter met deze vraag ook het vonnis uit over alle kinderen der mensen, maar toch wel het allermeest en het allerdiepst over zichzelf…! Toch blijft het daarbij niet. De dichter van deze psalm heeft namelijk niet alleen gezien wat er in zijn eigen hart omging. Hij heeft ook – door genade – oog gekregen voor het hart van God. Want terwijl hij moet erkennen dat hij voor God niet bestaan kan, belijdt hij óók dat er bij God vergeving is. Hoe is dat mogelijk?
Ziet God de zonden dan zomaar door de vingers? Neen, dat kan niet. Hoe kan de dichter dan zeggen: ‘Maar bij U is
vergeving…?’ Misschien kan een heel oude vertaling van dit vers ons bij deze vraag helpen. Daar luiden deze woorden: “Maar bij U is verzoening…” Misschien mogen we zelfs lezen: “Maar bij U is een verzoendeksel…!” God Zelf heeft ervoor gezorgd dat die ongerechtigheden verzoend kunnen worden. De hele dienst van de verzoening in de tempel sprak daarvan. Op Gods bevel moest het bloed van het offerdier vloeien en gesprenkeld worden op het gouden verzoendeksel in het Heilige der heiligen. Want alleen door het bloed kon de zonde worden uitgedelgd. Heel duidelijk wijst dit heen naar het bloed dat éénmaal gestort is door hét Lam van God, de Heere Jezus Christus. Al de zonden, heel de schuld van de Zijnen, werd op Hem geladen. En toen God die ongerechtigheden gadesloeg, kon Hij in Gods gericht niet bestaan. Op Golgotha is Hij ten ondergegaan in de vuurgloed van Gods toorn. Alleen door dit
stervende, bloedende Lam is er vergeving bij God. Zijn Zoon heeft door Zijn lijden aan al Zijn hoge eisen voldaan. En nu wil de Heere om het bloed van Christus van harte vergeven. Laten we toch niet gering denken van Zijn bereidheid om te vergeven, die voortkomt uit de liefde van Zijn hart. Laten we de kracht van Christus’ bloed niet klein achten. Er is vergeving bij God voor schuldige mensen, die de dood verdienen en voor God niet kunnen bestaan. Hoe groot onze schuld ook is. Zijn genade is altijd nog groter. ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’( Jesaja 1:18). Wat is het nodig onze nood en verlorenheid te leren kennen en van harte te belijden: ‘Zo Gij HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan…’ Wat is het óók nodig zicht te krijgen op de barmhartigheden van God om te pleiten op de liefde van Zijn hart: ‘Maar bij U is vergeving….’ Dan zullen we ook eerbiedig vragen: ‘HEERE, spreek tot mijn hart en zeg: Ik
ben uw heil!’ Dan zullen we ootmoedig belijden en bidden:
‘Hij maakt, op hun gebeden, gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden; zo doe Hij ook aan mij’
Prof. dr. A. Baars

Gods geboden

“Zijn geboden zijn niet zwaar!”
1 Johannes 5:3

Is dit niet een opmerkelijk woord? Gods geboden zijn niet zwaar? En zij vragen toch zoveel! Ze zijn zo alles omvattend! Om nu maar te blijven in de gedachtekring van Johannes, de apostel der liefde: Gods geboden vragen een liefde tot de Heere met geheel ons verstand, met geheel onze ziel, met geheel ons gemoed en met al onze krachten. Gods geboden willen vervuld worden in volmaakte liefde. In een liefde die zich openbaart in een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Gods geboden vragen ook liefde tot onze naaste. Een liefde die ongeveinsd is, oprecht, hartelijk, blijvend, altijd vergevingsgezind, ootmoedig. Ze vragen zelfs een liefde tot hen die ons vijandig bejegenen, zodat we vurige kolen hopen op het hoofd van degenen die onze ondergang bedoelen!
Johannes, hoe kunt u dat nou zeggen: “Zijn geboden zijn niet zwaar”? Daar komt nog iets bij! God komt met Zijn alles vragende geboden tot ons, kleine, zwakke, zondige mensen, die van zichzelf toch onbekwaam zijn tot enig goed werk en zelfs geneigd om zowel God als de naaste te haten in plaats van lief te hebben en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden. Die geboden komen tot ons, van wie het toch geldt: ”Onze kracht is klein, de driften veel, het hart onrein”? Moet zelfs de apostel Paulus niet belijden: “Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij bij”? En zijn wij dan allen van nature niet “vleselijk, verkocht onder de zonde”? Nog eens, Johannes, hoe kunt u nu zeggen: “Zijn geboden zijn niet zwaar”?  En toch is het waar! Want er is lust bij Gods kind en er is kracht bij de Heilige Geest! Er is lust bij Gods kind. Als de Heere een zondaar vernieuwt en Zijn liefde in zijn hart uitstort, dan wordt het zijn lust om de Heere te vrezen en in Zijn wegen te wandelen en om Gods geboden te bewaren, om die te doen uit dankbaarheid. Welnu, een werk dat overeenkomt met iemands verlangen valt toch niet zwaar? De wedergeboren zondaar heeft een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens. Hij heeft Gods geboden( niet één uitgezonderd) hartelijk lief. Hoe zouden dan die geboden zwaar kunnen zijn voor iemand die er
door genade lust in vindt? In de dienst van de Heere vergrijsde Johannes: het is toch waar! Gods geboden zijn niet zwaar! Althans, en zo is het bedoeld: voor degenen die lust kregen om de Heere te vrezen! Er is lust bij Gods kind! Er is kracht bij de Heilige Geest. Ja, dat ook! Hoe zwaar een last op zichzelf ook mag zijn, de zwaarte komt
niet in aanmerking, als er maar genoeg kracht aanwezig is. Wat een kind niet kan dragen, tilt een man met het meeste gemak op. Gods geboden zijn niet zwaar! O ja, zonder genade haten wij God en Zijn geboden en zullen we er eens onder verpletterd worden. Maar waarom vallen Gods geboden ook Gods kinderen nog vaak zo zwaar? Omdat ze maar al te dikwijls “naar het vlees” wandelen en niet “naar de Geest”. Omdat de “oude mens” met zijn zondige begeren maar al te dikwijls boven drijft. Omdat ze gedurig weer proberen in eigen kracht Gods geboden te doen.
Omdat zij maar al te weinig bereid zijn om zichzelf te verloochenen. Omdat…maar waar vind ik het einde? Wat
klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden… En toch, wanneer we door genade mogen behoren tot degenen die de Heere liefhebben en dus door een waar geloof aan Christus verbonden mogen zijn als een levende rank aan de Wijnstok, dan zegt ons hart ‘amen’ op dit woord van de apostel: “Gods geboden zijn niet zwaar!” En we verstaan de dichter helemaal en stemmen er hartelijk mee in Psalm 19:24 berijmd ‘k Zal Uw geboon, die ik oprecht bemin Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten Ik reken die mijn allergrootst gewin Ik grijp ernaar en zal er heil uit wachten Ik heb ze lief en zal met hart en zin Al ’t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten.
Wijlen ds. M. Vlietstra

Onbekende schuld

“En het zal hun vergeven worden, want het was een afdwaling en zij hebben hun offerande gebracht.”
Numeri 15:25m

In het woord afdwaling gaat het hier eigenlijk over het onwetende zondigen. Dat is dus zonde te doen zonder te weten dat het zonde is. En er is niemand onder ons, die aan deze zonde niet schuldig staat. We kunnen zoveel doen en laten, misschien wel te goeder trouw, doch zonder te weten dat het voor God bestaan kan. Neem eens aan dat de Heere ons al de zonden zal vergeven, die aan ons bekend zijn. Die zijn véle. Overdenk ze maar eens van uw jeugd af. Maar dan zijn daar ook nog de overtredingen, die we zelf niet voor zonde hebben aangezien en die voor Gods aangezicht als een open schuld moeten blijven liggen. Ook een ontdekte zondaar zal tranen tekortkomen om alle zonden te bewenen, want dan zijn er nog de verborgen afdwalingen, die hij zelf niet heeft onderkend en waarvan de dichter spreekt in Psalm 19. Als daarom de genade alleen maar genoeg was voor de aan u bekende zonden, dan
zou het toch nog een verloren zaak zijn zelfs met al de beleden schuld. Daarom moet ook deze schuld bij de Heere verzoend worden. Uit onze tekst blijkt, dat God toch ook een offer vraagt voor al wat in onwetendheid is geschied. De heilige wet eist voldoening van alle zonden. Nooit zal iemand met onwetendheid zijn schuld kunnen bedekken. Zo is er dan bloed nodig voor veel méér dan een zondaar dat zelf weet. Maar wee degenen, die daarin een reden vindt om daaronder gerust te zijn. Want als we daarvan een rechte indruk krijgen, we zullen bang voor onszelf worden. Bang voor ons bestaan, dat in blinde onkunde Gods Geest zo bedroeven kan zonder het zelf teweten. Dan zegt u: “Heere, doorgrond mij, en zie of er bij mij een schadelijke weg is”. Maar ziet, nu lezen we hier in Gods Woord: “En het zal hun vergeven worden”. Dus de Heere heeft ook aan onbekende en onbeleden schuld geacht. Kan de liefde Gods nog verder gaan? De kinderen Israëls moesten voor hun onbekende zonden een offer brengen. En nog vraagt God een offer van Zijn volk voor deze schuld. Niet een offer van dienen, maar een offer des harten, zodat ik ook mijn naaste kan vergeven, die mij in onwetendheid soms zoveel smart kan aandoen. Dat offer zal gebracht kunnen worden naarmate de onwetende zonden voor God tot schuld worden. Ook aan deze vrucht wordt de boom gekend. Onbekende zonden. Nu wordt een zondaar nog groter zondaar dan hij dacht te zijn. Maar nog is er dan geen reden tot wanhoop, want nu heeft diezelfde God in het enige Offer voorzien. Geen verontschuldiging voor onwetende zonden, maar toen dat Offer aan het kruis werd gehangen, was Zijn eerste bede: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Deze Hogepriester hebben we nodig, lezers. Die ook voor de onwetende zonden is gestorven en Die in Zijn voorbiddend werk ook aan de verborgen afdwalingen heeft gedacht. Wat is God dan toch groot in het werk der verlossing. Als de zonde al groter wordt, dan wordt de verlossing al groter. Hier worden de blinden geleid in een weg, die zij niet geweten hebben, want er moest veel meer vergeven worden dan zij wisten.
Wijlen ds. F. Bakker

Geloven

“Die dan zijn woord gaarne aannamen….”
Handelingen 2:41a

Aannemen is geloven en geloven is aannemen. Petrus en de andere apostelen hadden gesproken. Petrus voorop! Hij stond nu tegenover een grote menigte van mensen. Hij stond niet in het vlees, maar vervuld met de Heilige Geest. Toen hij in het vlees verkeerde, vluchtte hij voor een vrouw en verloochende de Heere. Nu hij in de Geest verkeerde, vreesde hij tienduizenden niet. Hij hanteerde het zwaard des Geestes. Dat is het Woord van God. Joël 2 en Psalm 16 vormde de tekst. Deze preek werd gezegend. Niet omdat deze van Petrus was, maar omdat de Heilige Geest erin meekwam. Dat is altijd noodzakelijk. De harten van de hoorders werden door de Heilige Geest ontvankelijk gemaakt voor het Woord. Zij waren als een dorstig land. Het woord ging erin als een stroom van levend water.
Ze namen het gaarne aan. Niet alleen dat wat Petrus gezegd had aangaande de noodzakelijkheid van het geloof in de Heere Jezus Christus, maar ook dat wat eraan vooraf was gegaan. Namelijk het ontdekkende element in de prediking. Dat mag nooit ontbreken. Want daar waar geen schuld is, daar is ook geen behoefte aan vergeving. Maar waar wel schuld is en deze ook gevoeld wordt, daar ontstaat een verslagen zondaar. Dat is niet alleen maar een geslagen zondaar, maar ook een verslagen zondaar. Dat is iemand die zichzelf niet meer kan redden, iemand die de strijd moet opgeven. De strijd tegen God. Is dat bij u ook al het geval? Dan is het een verlies wat een zalige winst tot gevolg heeft. Een winst voor de eeuwigheid. Een winst voor het koninkrijk van God.
Toen zij verslagen waren en zichzelf niet meer konden helpen was de redding nabij. Ik wil het nog sterker zeggen: toen was de Redder nabij. Dat is de Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. Een rijke Christus voor een arme zondaar. Waar geen arme zondaar is, daar is voor een rijke Christus ook geen plaats. Die gezond zijn hebben de Medicijnmeester niet nodig, maar die ziek zijn. Door middel van de prediking werd door de Heilige Geest het oog van de hoorders op Hem gericht. Zij kregen Hem te zien. Nu niet met hatelijke ogen, zoals dat voorheen gebeurde, maar met liefdevolle ogen. Want de liefde was in beginsel in hun harten uitgestort. Die liefde zet het geloof in werking. Het geloof werkt door de liefde. De liefde gelooft alle dingen. Alle dingen die door God in Zijn Woord
geopenbaard worden. Dat is de schuld, dat is ook het recht dat de zondaar veroordeelt. Dat is ook de genade, die de vrijspraak van de zondaar tot inhoud heeft.
Genade, wat is dat een rijk woord. Voor die genade die God geeft, heeft de Zoon van God Zijn bloed gegeven. Hij is te
Zijner tijd voor de goddelozen gestorven, opdat goddelozen met God verzoend zouden kunnen worden. Hij stierf voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. De eeuwige dood sterven, dat is voor eeuwig verloren gaan. Dat geloof kreeg die verslagen menigte. Daarom namen zij het woord gaarne aan. Dat Woord was het getuigenis van God. Dat zonk door de werking van de Heilige Geest van God in hun hart. Het maakt hen van verloren, behouden mensen. Onbegrijpelijk, maar waar. Gods woorden zijn altijd waar. Doch als ze door Gods Geest worden toegepast, worden zij waarheid in het binnenste. En daar vraagt God naar. Men neemt dan Zijn Woord niet voor kennisgeving aan. Men doet het gaarne, gewillig, met een volkomen hart. En dat tot eeuwige zaligheid.
“Die dan zijn woord gaarne aannamen….” Hoe is het met u?
Wijlen ds. H.C. van der Ent.

Zalig worden.

‘…en de kracht Zijner opstanding”
Filippenzen 3:10

De apostel Paulus schrijft over de kracht van de opstanding van Christus. Hoe groot die kracht is blijkt op de Paasmorgen. Christus opstandingskracht gaat boven alle aardse krachten en machten uit. Christus was gebonden in de banden van de dood. Wie kan die kracht stukbreken. Groot en alles overheersend is de macht van de dood. Geen mens kan die teniet maken. Christus wel. Hij triomfeert. Vanwege Zijn eigen goddelijke kracht.

De prediking van de opstandingskracht van Christus is een kostelijk evangelie. God Zelf heeft voor de blijde boodschap gezorgd. Aan onze kant is het hopeloos. Wij liggen midden in de dood, een drievoudige dood. De eeuwige, geestelijke en tijdelijke dood zijn wij onderworpen. Dit door onze diepe val. Gebonden onder de macht van de zonde en de dood. Een ding is noodzakelijk namelijk de aanraking met de opstandingskracht van Christus in mijn hart. Dat is de wedergeboorte, de levendmaking.

De altijd durende doodsnacht hebben wij verdiend. God doet geen onrecht. Maar nu is er de verkondiging van de
opstandingskracht van Christus, bid, smeek om het kennen van die kracht, pleit om uws levenswil op Gods genadige
toezegging. Christus moest opstaan. Het recht daartoe verwierf Hij door Zijn kruisdood. Maar Christus opstandingskracht is niet slechts tot levendmaking, maar ook tot heerlijkmaking. Dat is het uiteindelijke doel. De nieuwe, herstelde mens. Beelddrager van God. Profeet, Priester en Koning volkomen weer beantwoordend aan het scheppingsdoel. God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Niet alleen de ziel, maar ook het lichaam. Begrijpt u goed wat het is Christus opstandingskracht te kennen. Dat houdt de ondergang, de totale ondergang van
mijzelf in de dood van het vlees, de dood van het “Ik” . Wie de opstandingskracht begeert te kennen, begeert iets dat dwars tegen eigen begeren ingaat. Een begeren dat alleen voortvloeit uit de waarachtige bekering tot God. Een begeren dat door de Heilige Geest gewerkt wordt.

Een godsdienstig mens, die door werken wil opklimmen laat de boodschap van Christus opstandingskracht liggen. Hij is er een vijand van. Wie zich heiligt naar eigen kracht, naar eigen idee, laat ook deze boodschap liggen. Wie nog leeft in de verwachting van zichzelf, van het vlees, wie nog hoopt dat het
vlees bekeerd wordt, doet desgelijks.

Kent u de zonde als zonde tegen God? Kent u het overgebleven vlees dat Gode-vijandige vlees, dat zich de wet
van God niet onderwerpt, omdat het niet kan? De Heilige Geest werkt in al Gods kinderen de hartelijke begeerte om heilig te zijn, een leesbare brief van Christus te zijn, de verborgen omgang met God te kennen. God niet meer te bedroeven, de Heilige Geest niet meer te smarten, volmaakt te zijn.

Hoe kunnen de worstelingen om de heiligmaking tot moedeloosheid, teleurstelling en droefheid leiden! Doch welk
een troost boodschap is dan de boodschap van Christus opstandingskracht. Een heerlijke troostboodschap. Het gaat er niet om hoe groot de kracht van de zonden en de dood is in u, maar hoe groot de opstandingskracht van Christus is. Die kracht is alle dood overwinnend. Die kracht zal triomferen. Kunt u niet meer zalig worden, omdat u al meer ziet de innerlijke verdorvenheden, omdat u al meer ontdekt wordt aan de bron van uw wanbedrijven, spreek dan eens na: Ik geloof de kracht Zijner opstanding. Is dat werkelijk uw begeerte, uw stil verlangen, uw gebed. Houd dan aan, grijp moed, want dan zal het eens van binnen gaan zingen, wij steken het hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen, door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.
Wijlen ds. P. van Zonneveld

Door God opgewekt

“En uit de graven uitgegaan zijnde na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad en zijn velen verschenen.”
(Mattheüs 27:53)

Een merkwaardig gebeuren wordt ons in de bovenvermelde tekst beschreven. Bij het sterven van de Heere Jezus op de Goede Vrijdag gaf God de Vader via een aantal tekenen getuigenis van de dood van Zijn Zoon. Onder andere
geschiedde er een aardbeving. Door die aardbeving trilde de grond, zo hevig zelfs, dat rotsen scheurden. En tengevolge daarvan werden sommige graven open gelegd. Nog merkwaardiger: doden die in die graven begraven lagen, werden weer levend. Nee, dat gebeurde niet met alle graven en met alle doden. Het betrof alleen lichamen van “heiligen, die ontslapen waren.” Zo worden ze door Mattheüs aangeduid. Daarmee zijn bedoeld oprecht vrome mensen, die nog niet zo lang geleden overleden waren. Nog niet zo lang geleden, inderdaad, want in Jeruzalem kennen ze hen nog. Zij leven nog in de herinnering voort. Ik denk dat er ook nog dit van gezegd kan worden, dat deze mensen in de Heere Jezus als Zaligmaker hadden leren geloven. En wat gebeurde er daarna met die opgestane doden? Op de Goede Vrijdag werden ze levend. En op Pasen, na de opstanding van de Heere Jezus verschijnen ze in Jeruzalem. Waar ze die tussenliggende tijd gebleven zijn, wordt ons niet verteld en dat is dus niet belangrijk om te weten. Ook wordt ons nergens verteld wat er nog weer later met hen gebeurd is. Zijn ze opnieuw gestorven? Ook het antwoord op die vraag is kennelijk niet belangrijk. Althans niet voor ons. Wat we wel weten is dat ze ‘verschenen’ zijn. Dat wil zeggen, dat ze zich aan diverse mensen in Jeruzalem vertoond hebben en dat er bij die gelegenheden ook het een en ander gezegd is. Weten we ook wat er toen gezegd is? Ik denk dat we dat uit de tijd wel kunnen afleiden.
Maar om te beginnen moet het ons niet ontgaan, dat de verschijning alleen al genoeg was om de mensen in Jeruzalem hoogst verbaasd te doen staan Dat is wat geweest! Daar staat plotseling iemand voor je, die een paar maanden geleden begraven was en wiens begrafenis je nog hebt bijgewoond. Een familielid, een buurman, een goede kennis, op onverklaarbare wijze weer levend geworden. Dat heeft ontzetting veroorzaakt. Maar dan ook datgene wat er bij die verschijningen verder gebeurde. Waar is dan over gesproken? Ik denk dat dit af te lezen valt uit het feit, dat de opgewekte doden niet terstond naar Jeruzalem gegaan zijn, maar dat ze daar pas verschenen zijn na de opstanding van de Heere Jezus. Eerst moest ook Hij weer levend worden, en pas daarna was het Gods tijd dat die
andere levend geworden doden zich aan mensen zouden vertonen. Daaruit is af te leiden dat het in hun verschijning niet maar ging om het feit, dat zij weer levend waren, maar vooral, dat de Heere Jezus weer leeft. Daarvan zijn zij getuigen. En ongetwijfeld is het in de verschijningen daarover gegaan. Zo heeft God ervoor gezorgd, dat Jeruzalem de tijding van de opstanding van de Heere Jezus te horen krijgt. Terwijl de soldaten van de wacht, die door het Sanhedrin zijn omgekocht, in Jeruzalem lopen te vertellen, dat de discipelen het lichaam van Jezus hebben gestolen en zo dus een grove leugen verbreiden, zorgt God ervoor, dat Jeruzalem ook de waarheid te horen krijgt. De waarheid, dat Jezus niet gestolen is, maar opgewekt en dat Hij nu dus leeft. Ja, de Heere heeft Zich steeds weer moeite gegeven opdat ook de inwoners van Jeruzalem het Evangelie zouden weten. Hij is die stad en het volk der Joden niet vergeten. Wat doet de Heere ook veel moeite om ons op de hoogte te stellen van Zijn grote daden in de dood en de opstanding van de Heere Jezus. Keer op keer wordt ons die boodschap voorgehouden. Keer op keer laat de Heere ons weten dat er zaligheid is in Hem. Niemand onzer zal kunnen zeggen dat de Heere ons onkundig gelaten heeft. Dat heeft Hij niet! Wat is de vrucht ervan in ons leven? Vindt u het niet verwonderlijk, dat Jeruzalem, waarvan de Heere Jezus gezegd heeft dat het de stad is, die de profeten doodt, de stad die een paar dagen geleden zelfs de hoogste Profeet gedood heeft, in de tekst nog de “heilige stad” genoemd wordt? Duidt dat er niet op dat de Heere met het volk der Joden nog niet klaar is, maar dat Zijn ontferming nog naar dat volk uitgaat? Wat verkondigt deze tekst ook op duidelijke wijze de waarheid van de wederopstanding des vleses. Graven gaan open en doden worden weer levend. Dat gebeurt hier bij Jezus’ sterven. Dat gebeurt met een aantal graven en een aantal doden. Niet met alle. Maar de dag komt, dat àllen die in de graven zijn, de stem van de Zoon van God zullen horen. De dag komt, waarop ieder door de opstandingskracht van de Zaligmaker weer leven zal. Dan zullen de ‘heiligen’ in onverderfelijkheid opgewekt worden. Zij die in hun leven de Heere hebben leren kennen tot zaligheid zullen dan uit hun vlees God aanschouwen en zij zullen met lichaam en ziel de Heere eeuwig mogen dienen in Zijn tempel. Wat een blij vooruitzicht… Maar ook de onheiligen, zij die onbekeerd bleven en zo ook stierven, zullen opstaan. Ja ook hùn lichamen worden opgewekt. Maar hun opstanding zal gans anders zijn dan die van de heiligen. Zij zullen, zo zegt de Schrift, delen in de opstanding der verdoemenis…  “Ik geloof de wederopstanding des vleses”, zo belijden we elke
zondag. Verstaan we wat dat inhoudt? Is die belijdenis ons ten troost? Of schrikken we als we eraan denken?
Ds. P. den Butter

De profetie van Kajafas

“…dat het ons nut is, dat één mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.”
Johannes 11:50

In zijn rede voor het Sanhedrin spreekt Kajafas ware woorden. Hij beseft in de verste verte niet wat hij zegt, maar God gebruikt hem om in enkele woorden de kern van het Evangelie onder woorden te brengen. Kajafas verkondigt hier het plaatsvervangende Borgwerk van Christus. Hij zegt ten eerste dat als Christus niet sterft, het volk anders verloren gaat. En dat is een waarheid. Het volk is verloren. In de diepe Bijbelse zin van het woord. Het volk, de mens, u en ik, wij zijn van nature mensen die verloren liggen. En als we eeuwig verloren gaan, dan zullen wij de Heere niets ongerijmds kunnen toeschrijven. Want wij hebben God op het hoogst misdaan. Wij zijn van het heilspoor afgegaan.
We hebben de grote God beledigd en gekrenkt. We hebben de heilige God vertoornd en bedroefd. En daarom moet het volk, daarom moeten wij verloren gaan. Drukt dat weleens op ons hart? Bent u daar weleens mee bezig? Als dat echt gaat wegen, dan praat je daar niet makkelijk over. En dan preek je daar ook niet makkelijk over. Dan neem je het woord ‘hel’ niet zo makkelijk op je lippen. En toch moet het. Toch moet het gezegd worden, dat wanneer je zonder Christus zal sterven, dan zul je verloren gaan. Een ontzaglijke werkelijkheid. Maar dat kan dan ook alleen maar gezegd worden, omdat daartegenover verkondigd mag worden dat er Iemand is die in plaats van het volk is gestorven. Iemand die ten behoeve van het volk de dood is ingegaan. De vreselijke werkelijkheid van de
eeuwige verdoemenis kan alleen maar worden aangewezen, omdat daartegenover verkondigd mag worden dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus Jezus zijn. En dat is een heerlijk woord voor verloren mensen. Het is een blijde boodschap voor mensen die beseffen dat ze op weg zijn naar de eeuwige rampzaligheid. En die daar zelf geen verandering in kunnen aanbrengen. Die het zeer ernstig nemen wat psalm 49 zegt: Hij kan de prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Maar wat nu onmogelijk is bij mensen, dat is mogelijk bij God. God heeft Zelf het Middel gegeven. Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet zou verderven, maar eeuwig zou leven. En de Heere heeft de donkere woorden van Kajafas herhaald en daar een gouden bedoeling aan gegeven. Het is nut dat één Mens sterve, opdat niet heel het volk verloren ga. Al in de stilte van de eeuwigheid hebben deze woorden geklonken. In datgene wat wel de Raad des Vredes wordt genoemd. Waarin de Vader heeft gevraagd: Wie zal er met Zijn hart Borg zijn? Toen heeft God de Zoon Zich bereid verklaard.
Ik kom o God om Uw wil te doen. En wat was de wil van God? De ziel die zondigt zal sterven. Toen heeft de Zoon Zich bereid verklaard om te lijden en te sterven in de plaats van Zijn volk, dat Hem door de Vader was gegeven.
Misschien zegt iemand: ‘Daar heb je het nu weer, Christus is gestorven voor Zijn volk. Maar ik durf niet te zeggen dat ik daar bij hoor. Dus dan is Christus ook niet voor mij gestorven’. Ja, Christus is gestorven voor Zijn volk. En niet voor alle mensen. Dat kunnen we op grond van de Schrift niet zeggen. Maar de vraag is: wie behoren er tot Gods volk? En hoe zijn ze er achter gekomen dat ze Gods volk zijn? Wel dat gaat in de weg zoals ons dat in het boek Hosea wordt beschreven. Waarin de Heere het volk bekend maakt met hun zonde. En waarin Hij tegen hen zegt: u bent Lo-Ammi. Niet Mijn volk. Het gaat in de weg van de verloren zoon. Die tot zichzelf kwam en zichzelf ging aanklagen: ik ben niet waardig om uw zoon genaamd te worden. En zo werkt de Heere Zijn genade in een mens. Zijn eerste boodschap in een mensenhart is niet dat je tot Zijn volk behoort en dat je naar de hemel gaat. Nee, de Heere zendt Zijn Geest en Die gaat ons overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Die Geest leert een mens buigen onder het recht van God. Gods volk, dat bestaat uit mensen die zichzelf op grond van Gods heilig recht er buiten moeten plaatsen en die alleen door vrije soevereine genade behouden kunnen worden. En voor die mensen krijgt het sterven van Christus waarde. Voor schuldigen. Voor zondaren.
Nooddruftigen zal Hij verschonen;
aan armen, uit genâ,
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen gâ.
ds. M.A. Kempeneers

Gebed in tijden van pest en besmettelijke ziekten.

“Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, Zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Ik zal tot de HEERE zeggen: Mijn toevlucht en mijn Burcht; mijn God, op Welke ik vertrouw. Want Hij zal u redden van de strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie”
Psalm 91:1-3

“O , heilige en rechtvaardige God, Die ons, aangezien wij tegen U, onze almachtige Schepper en Weldoener, gezondigd hadden, door besmettelijke en schielijk wegrukkende ziektes bezoekt. Ach, wij bekennen onze schuld dat wij Uw goedheid en lankmoedigheid tot toorn en rechtvaardige straffen getergd hebben, daarom laat U zulke zware bezoekingen over ons komen, die ons schielijk en onverwacht uit de tijd in de eeuwigheid brengen. De dood klimt in onze vensters en rukt de een na de ander weg, zodat zelfs onze beste vrienden voor ons schuwen en wegvluchten.

U hebt een vuur van besmetting onder ons ontstoken, wat niemand blussen kan dan U alleen Die onze ware Helper en Geneesmeester bent. Wij zien overal waar wij ons keren, niet anders dan dode mensen. En de menigvuldige dode lichamen die men wegdraagt, zeggen ons zonder spreken, dat wij ook haast kunnen worden gelijk zij.

Ach God, wij staan tussen de doden en levenden gelijk Aäron en brengen U, onze Ontfermer, het reukoffer van een
hartgrondig gebed. Wij roepen en zuchten met een bewogen ziel: Ach, Heere HEERE, verschoon toch en laat Uw
doodsengel zijn zwaard in de schede steken. Ontferm U toch over Uw volk en over de schapen Uwer weide! Vergeef ons, lieve God, al onze zonden waarmee wij Uw toorn gaande hebben gemaakt, om Jezus, Uw allerliefste Zoons wil. Neem deze schadelijke plaag weg en weer dit onheil van ons af. U hebt immers gezegd: ‘En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en Gij zult Mij eren.” Waar is een groter nood, Heere, dan deze waarin het met alle menselijke hulp schijnt gedaan te zijn, waar de dood menigeen overvalt zonder dat hij er aan denkt of tijd heeft om zich tot dusdanig grote verandering behoorlijk te kunnen voorbereiden?

Ach God, ruk ons toch niet weg in het midden van onze zonden door zo een schadelijke en schielijke dood, en geef, dat we alle dagen, ja alle uren op onze hoede mogen zijn. Opdat, wanneer het U behagen mocht ook over ons de dood te gebieden, wij bereid bevonden worden.

Laten wij het op het laatste, schielijke en benauwde uur niet laten aankomen, maar onze roeping en verkiezing vast maken, zodat, indien het U behaagt ons mede uit deze ellendige wereld te roepen, wij gerust kunnen sterven op wat wij U, onze hemelse Vader, voorheen in boete, geloof en hoop betuigd hadden. Echter willen wij , Heere, aan Uw machtige hulp niet wanhopen, want U kunt, zo U wilt, zelfs in het midden van het vuur van deze besmettelijkheden en plagen, redden en behouden. U kunt, onder zoveel doden, aan levenden Uw wonderen bewijzen.

Laat ons, o God, Uw macht aanschouwen. Laat ons Uw barmhartigheid zien in de diepte van onze nood en ellende. Bewaar ons “voor de pestilentie die in de donkerheid wandelt, voor het verderf dat op den middag verwoest.” En bewijs Uw almogendheid over ons, die hier voor het altaar van Uw oneindige barmhartigheid neerliggen. Behoed ons voor de schrik en vrees in deze gelegenheid, en laat ons zijn als een vuurbrand uit het vuur gerukt.

Zullen wij langer leven, Heere, zo toon ons Uw heil en genadige hulp, opdat wij U prijzen in het land van de levenden. Zullen wij haast sterven, zo laat ons zacht en zalig ontslapen. Laat ons onze laatste strijd dapper strijden en in geloof en vaste hoop, met een gezicht en voorsmaak van onze aanstaande hemelse heerlijkheid, vanhier gaan en haast geraken op die plaats, alwaar wij een onuitsprekelijke en eeuwige gelukzaligheid genieten zullen. Amen, Heere Jezus, amen.”
Conrad Mell (1666-1733)

Op weg naar waar we ons thuis voelen

…want de mens gaat naar zijn eeuwig huis,..
Prediker 12:5

Onderweg! Waarheen?
Iemand kreeg van zijn arts een slechtnieuwsbericht. Zijn ziekbed zou zijn sterfbed worden. Tegen een vriend die hem in die dagen bezocht, zei hij: “nu gaat het erop aan komen.” Het zou sterven worden en sterven betekent God ontmoeten. Toch was ik het niet met hem eens. Vanaf onze geboorte zijn wij mensen immers onderweg naar de eeuwigheid. En de meesten van ons krijgen geen sterfbed waarop zij zich op die eeuwigheid kunnen voorbereiden. Niet voor niets zegt Prediker: Gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen. In dat kader staat het woord waarnaar we willen luisteren in deze eerste dagen van het nieuwe jaar. Het
jaar dat u en ik samen begonnen zijn, terwijl niemand van ons weet of hij of zij het einde zal beleven: De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Het directe verband waarin deze woorden door de Prediker zijn neergeschreven, lijkt te wijzen op een boodschap voor oude mensen. Dat ligt ook voor de hand. Oude mensen moeten immers sterven. Maar wie verder leest, ontdekt dat de Prediker in de eerste plaats jongeren op het oog heeft. Jonge mensen kunnen immers ook sterven. Het zilveren koord kan zomaar breken; de kruik kan per ongeluk in stukken vallen. Van alle mensen, jong en oud, rijk en arm, geldt: wij zijn onderweg naar ons eeuwig huis. U hebt toch wel gezien dat de woorden van de tekst in de tegenwoordige tijd staan. Dit is werkelijkheid op dit moment, nu u dit leest in alle rust misschien. En niemand kan denken: dit is niet van toepassing op mij. Hier wordt gesproken van de mens, heel algemeen. Daar zijn geen uitzonderingen op. Het geldt van ons, kinderen van Adam. Omdat wij kinderen van Adam zijn: stervelingen,
wier dagen zijn als het gras dat heden bloeit en morgen in de oven geworpen wordt. Bij alle verschil geldt deze zin van alle mensen zonder uitzondering: De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Wij zijn onderweg naar de eeuwigheid. U en jij bent het met mij eens dat het de moeite waard is daarbij stil te staan aan het begin van dit nieuwe jaar. Elke dag en elk uur brengt mij nader bij de grens van leven en dood. Waar is de reis naar toe?
Kan ik dat weten?
Let nog eens even op de woorden van de Prediker: de mens gaat naar zijn eeuwig huis. Aan het einde van ons leven komen wij daar waar wij nu al graag willen zijn, waar we ons thuis voelen. Wanneer we ons thuis voelen in de wereld, dan zijn we in de eeuwigheid waar de wereld is. Dan ben je niet bij God, want wie een vriend van de wereld is, is een vijand van God. U voelt wel aan dat het een heel verschil is of je een vriend van de wereld bent of dat je mag belijden: Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen. Dan heeft je leven een heel andere richting. Lees Psalm 1 er maar eens op na en u zet de twee wegen zo helder als glas getekend. Zijn Psalm 84 eens mee: ‘k Waar liever in mijns Bondsgods woning een dorpelwachter, dan gewend aan de ijdele vreugd’ in ’s bozen tent. Nee, van nature zijn we het daar niet mee eens, al zijn we keurige, degelijke kerkmensen. Sinds Adam verkeerd koos, kiezen wij allemaal verkeerd. Dan kiezen we, net als de mensen in de dagen van Noach, voor een leven buiten de Ark. Is dat bij u al anders geworden?
Waar is de reis naar toe?
Weet u wat beslissend is? Jezus zegt: in het huis Mijns Vaders zijn vele woningen. Ik ga heen om u plaats te bereiden.
Doet Hij dat ook voor u? Het is de moeite waard om op die vraag biddend het antwoord te zoeken aan het begin van 2021.
ds. J. Westerink