Zijn uitverkorenen

“Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen…” Lukas 18:7

De uitverkiezing, wat is dat altijd weer een moeilijk stuk. Moeilijk, neen niet voor degene, die net doen alsof er geen uitverkiezing is en alsof het heil en de zaligheid en het deelachtig worden daarvan een zaak is van de menselijke vrije wil. Moeilijk, ook niet voor hen, die zich van die verkiezing zo gemakkelijk afmaken en daarachter als pogen weg te kruipen met die bekende, schijnbaar steekhoudende maar in wezen duivelse uitvlucht: als ik niet uitverkoren ben kom ik er toch nooit, en indien wel, dan zal de Heere mij wel weten te vinden. Moeilijk, ook niet allereerst voor die kinderen Gods, die de troost en de vastheid van de verkiezing mogen kennen omdat zij op goede gronden mogen weten, dat ook hun namen geschreven staan in het Boek des Levens. Neen, maar moeilijk vooral voor die kinderen Gods, die wel in oprechtheid naar de Heere hebben leren zoeken en vragen maar die nog geen wijsheid en zekerheid hebben, die nog niet zeker weten, dat ook zij werkelijk uitverkoren zijn. Ja, wat kunnen diegenen vooral het moeilijk hebben met die verkiezing, temeer nog omdat de satan hen juist op dat punt van de verkiezing zo vaak en zo graag aanvecht en bestrijdt, bijvoorbeeld door hen in te fluisteren, dat al hun bidden en kerkgaan en Bijbellezen toch niets helpt omdat ze toch niet uitverkoren zijn…Zie, en daarom is het nu niet het minst juist voor hen ook zo bemoedigend en leerzaam dat de Heere ons in Zijn Woord ook telkens bepaalde “kenmerken” aanwijst, waaraan die uitverkorenen te herkennen zijn. En één van de schoonste van die kenmerken vinden we dan wel in de bovenvermelde tekst, waar van die uitverkorenen gezegd wordt, dat zij dag en nacht tot de Heere roepen.
Daaraan zullen de uitverkorenen straks in de eindtijd, wanneer ze vreselijk vervolgd en verdrukt zullen worden (daar gaat het hier blijkens het verband toch allereerst over) te herkennen zijn dag en nacht zullen zij dan roepen tot de Heere om hulp en recht, net zolang totdat Hij hen helpen en recht verschaffen zal. Ja, maar daaraan zijn de uitverkorenen vandaag aan de dag ook te herkennen: dag en nacht roepen ze tot de Heere. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat zij niets anders doen, niet werken, niet slapen enz., dan alleen maar bidden, neen, maar dat betekent wel, dat ze voortdurend bij dagen en bij nachten, ook zelfs onder hun gewone werkzaamheden door, daar mee bezig zijn. Die uitverkorenen bidden niet zo nu en dan eens, of alleen maar aan tafel en voor het naar bed gaan om genade en verzoening, om vrede met God enz. Neen, maar dat houdt hen voortdurend bezig. De ernst van dood en eeuwigheid, de last van de zonde, de noodzaak van de verzoening door het bloed van de Heere Jezus, is hun zo op het hart gebonden, dat zij voortdurend in het gebed naar de Heere heengedreven worden, bij dagen en bij nachten, zoals de dichter daar ook van zingt: “k Zocht Hem in mijn bange dagen, ‘k bracht de nachten door met klagen”.  Omdat het bij dezulken nood geworden is. En als het nood is, dan kun je niet ophouden, maar dan blijf, dan moet je roepen. En nu de troost van dit Woord. Want wie dat nu in waarheid mag kennen, die heeft daarin een onbedrieglijk kenmerk van de uitverkiezing. Want dat ze bij dagen en bij nachten tot de Heere roepen is een vrucht, die alleen maar groeit aan de boom van Gods eeuwige verkiezing. Ook al kunnen zij daar zelf nog niet bij, al zien zij dat zelf nog niet. Zulke mensen zijn veel verder dan ze zelf weten. Als het maar waarheid is in het hart. En daarom: Kent u dat? Dat zo voortdurend worstelen aan Gods troon? Let wel, ik vraag niet of u al weet dat u uitverkoren bent, maar wel of u dat roepen tot de Heere kent bij dagen en bij nachten. Zo niet, verbeeldt u dan toch niets. Want dan hebt u nog geen enkele gegronde reden om te bedenken, dat u een uitverkorene bént. Want dat roepen is wel één van de eerste kenmerken van Gods kinderen; dat kennen zij allen. Maar roep dan toch nu nog. Want het kan nu nog.
Laat de verkiezing vooreerst maar rusten, dat is Gods zaak, maar roep Hem aan om genade en verzoening, pleitend op het bloed van Christus. Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot”. Dat is de troost van de verkiezing. Als die onrechtvaardige rechter uiteindelijk die weduwe, die maar bleef roepen, toch recht verschafte, zou dan de rechtvaardige, en zeer genadige en barmhartige God geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, aan hen, die Hij uit onbegrijpelijke liefde reeds van eeuwigheid heeft uitverkoren? “Ik zeg u” zegt Jezus Zelf, “dat Hij hen haastelijk recht doen zal”. Recht ja, want Sion zal door recht verlost worden. Niet alsof en omdat zij rechten hebben in zichzelf, neen maar omdat de Heere hen aanziet in het borgtochtelijk verzoeningswerk van de Heere Jezus, waardoor aan Gods recht volkomen is genoeg gedaan. De Heere zal Zijn uitverkorenen zeker recht doen. Uit enkel genade. Om Jezus wil. Recht, voor nu en eeuwig. Dat heil, die zaligheid ligt onwrikbaar vast. Neen, niet in hem, maar in die verkiezende God. Daarom:

“Hoop op de Heer’, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt op hun gebeden
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden.
Zo doe Hij ook aan mij.

Wijlen ds. G. Bouw