Voorbijgaan

“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan. Maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen die in de hemel zijn, dan de Vader”
(Markus 13:31-32)

De Heiland is er Zich van bewust dat Hij zeer ernstige dingen heeft gezegd. Dingen die moeilijk te verwerken zijn voor Zijn discipelen. Hij vat ze nog een keer samen als Hij zegt dat de hemel en de aarde zullen voorbijgaan. Dingen die symbool stonden voor vastheid en onwankelbaarheid zullen niettemin wankelen en verdwijnen. Dan komt de vraag op: Is er dan niets meer dat houvast kan geven? Valt ons dan alles uit handen? Is er niets meer zeker?

Dat zijn de vragen die Jezus Zijn discipelen als het ware al hoort stellen en het is met het oog hierop dat Hij ook nog zegt: “Maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Hoort u wat Hij hier doet? Van Gods Woord staat geschreven dat het bestaat tot in eeuwigheid. Gods Woord, ja, dat is zeker. Maar hier zegt Jezus hetzelfde van Zijn woorden als wat van
Gods Woord geschreven staat. Zo overtuigd is Hij van de waarachtigheid van Zijn spreken, dat Hij het op gelijk niveau stelt met de woorden Gods. Zijn woord is dan ook Gods Woord, gesproken met hetzelfde gezag. Laat dat dan het houvast van de discipelen zijn. Wat Jezus ook gesproken heeft, het zal waar blijken. Alles! Wat uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken. Zowel woorden van zaligspreking als woorden van oordeelsaankondiging. Nu het zo staat, is de zaligheid van Gods kerk zeker, want die heeft Hij gegarandeerd. De ondergang van de vijanden is ook gegarandeerd. Wat er nu ook gaat gebeuren, aan dit woord van de Heiland mag Gods kind zijn ziel als het ware hangen. Al valt alles weg, dan nog blijft dit: Hij heeft het gezegd!

Dan maakt de Heere Jezus een overgang. Wat we nu in vers 32 vinden, heeft weer betrekking op de dag van Zijn wederkomst. Dat blijkt wel uit de grote nadruk die in de tekst valt op het woordje ‘die’. Die dag! Die speciale dag. Daar had Hij over gesproken; over de dingen die dan zullen plaatsvinden. Maar de vraag wanneer die dag zou aanbreken, was nog niet beantwoord. Dat komt nu.
Jezus noemt echter geen datum. Hij zegt niet: “Dan en dan zal het zijn.” Die dag is namelijk verborgen. Alleen de Vader weet wanneer die dag zal zijn. Hij heeft die dag vastgesteld in Zijn besluit. Maar Hij openbaart die dag niet. Vandaar dat niemand er echt iets over zeggen kan. Geen mens. Maar ook geen engel. De discipelen weten die dag niet. Dat zegt Jezus even verder in vers 33. En toch waren deze discipelen op de hoogte van veel dingen die voor andere mensen verborgen bleven. Zij hadden speciaal onderwijs ontvangen. Paulus is zelfs opgetrokken geweest in de derde hemel en heeft daar onuitsprekelijke dingen gehoord. En toch, van die dag weten de apostelen niets. De engelen evenmin, hoe dicht zij ook bij God verkeren en hoezeer zij in hun dienst aan God betrokken zijn bij de uitvoering van veel van Zijn plannen. Zouden zij de tijd van de wederkomst dan nooit eens hebben horen noemen? Nee, ook zij zijn onkundig.

Zullen wij dan alle speculeren, wanneer die dag zal zijn, maar nalaten? Denken dat we hierover iets met zekerheid kunnen zeggen, is niets dan arrogantie. Blijf bij mensen die denken dat ze meer weten dan apostelen en engelen uit de buurt. Wees tevreden met het feit dat de Vader de dag weet.
En….wees bereid!

Ds. P. den Butter

Geplaatst in Meditaties.