Het Leven

‘Maar Hij is opgestaan´
Lukas 24:6m

Pasen, het feest van het derde heilsfeit: de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de dood. Opgestaan dat is het
kernwoord van dit heilsfeit. Zeker….ook opgewekt. Opgewekt door God de Vader. God spreekt daarmee Zijn amen uit op het volbrachte werk van de Zoon. Alles is volbracht. Zondaren kunnen nu volkomen verzoend worden door de voldoening van Christus.
Opgewekt is een onnoemelijk rijk woord, doch opgestaan evenzeer. Zit woord stelt de Heere Jezus centraal. Hij is de opstanding en het leven. Uit kracht van zijn Godheid staat Hij op. Triomfeert over dood en graf. Met Koninklijke luister treedt Hij uit de grafspelonk. “Wat glans, wat majesteit, hebt Gij die Vorst bereid.”
De dood is gedood. De macht van de dood is aan stukken gebroken. Om der zonde wil was alles aan de dood
onderworpen. De dood als de bezoldiging van de zonde. Christus heeft betaald voor de zonde met Zijn lijden, Zijn bloed, Zijn sterven. Daarom kon Hij van de dood niet gehouden worden. En kon Hij de banden van de dood verbreken en opstaan. Op het paasfeest gaat het om de volle, de rijke Christus, Die niet alleen de opstanding en het leven heeft verworven, maar Die nu ook is opgestaan om Zijn verworven heil toe te passen en uit te delen. “Ik leef en gij zult leven.” Christus door Zijn Geest spreekt. En er komt beroering in het dal van de dorre doodsbeenderen. Er komt opstanding, er komt leven. Hij verbreekt de banden van de dood.
Nu is één ding noodzakelijk. Er moet een geloofsverbinding komen aan deze Levensvorst. Is die er niet, dan blijven wij midden in de dood. Dan is er geen opstanding, geen leven. Dan worden we geworpen in de poel van vuur. Dat zal vreselijk zijn.
Leert u zien de macht van de dood over u en in u? Kunt u zich aan die macht ontworstelen? We proberen het wel. Doch het is tevergeefs. De banden die ons omvangen zijn sterk, onze krachten zijn te klein. Goddelijke kracht is daartoe nodig. De opgestane Levensvorst is de Enige Die dat kan en wil. Leert u zien het recht van de dood over u? De dood is er vanwege de zonde. De Opgestane kan en mag de banden van de dood verbreken. Hij is daartoe bevoegd, omdat Hij dood is geweest. Omdat Hij door Zijn dood het recht van de dood aan de dood heeft ontnomen.
Christus naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven. Ligt u nu aan de voeten van deze Levensvorst met de bede: ‘gun leven aan mijn ziel?’
De geloofsverbinding aan de Christus geeft de vrucht van opstanding en leven. Er komt nieuw leven, een leven naar boven gericht, hemelwaarts gericht. Dat leven bidt om leven; dat leven richt zich op de Levensvorst. Dat leven betrekt de levenssappen uit de Levensbron. Dat leven richt zich op de Heere geheel en al. Dan wordt het : God liefhebben boven alles en de naasten als onszelf.
Dat wordt gezien aan de werken van het nieuwe leven. De wedergeboren mens komt openbaar in de liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
Zeker, Gods volk zucht onder het oude en krijgt meer zicht op dat oude. Maar dat is niet anders om uit Christus te leven. De Opstanding en het Leven, om in Hem te wortelen. Die gestorven is voor zondaren, voor goddelozen. Om de
levenssappen al meer uit Hem, die de ware Wijnstok is, te trekken. Om in Hem te zijn, om in Hem te blijven, van Wie
gezegd is: ‘zonder Mij kunt gij niets doen.’
Doch die in Hem blijft brengt veel vrucht voort. De vraag klemt: is nu deze Levensvorst, onze Levensvorst? Laten we dit eerlijk voor Gods aangezicht onderzoeken. Hier is de openbaring van het nieuwe leven. Hij is de Opstanding en het Leven. Hij doet geen half werk. Hij maakt Zijn werk af. Dat ligt vast in Hem. Daarom straks de volkomenheid van dat nieuwe leven. Alle dood teniet gedaan.
De nieuwe hemel en nieuwe aarde. De roep van dat leven is: ‘Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk.”
Wijlen ds. P. van Zonneveld

Het lijdensevangelie van het Lam

´Gij zult een volkomen lam hebben, een mannetje, een jaar oud…´
Exodus 12:5a

De woorden boven deze meditatie staan tegen de donkere achtergrond van de laatste plaag in Egypte. Negen keer heeft de Heere gesproken: ‘Laat Mijn volk trekken”. Maar tegen alle zichtbare en voelbare roepstemmen in hebben de farao en het volk van Egypte zich verhard. Ze hebben het volk niet laten trekken. En nu is de maat vol gezondigd. De Heere zal komen met de laatste plaag. Hij zegt het in vers 12: ‘Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan…’. Alle eerstgeborenen in Egypteland….Dat zijn dus ook de eerstgeborenen van Israël! Want de Israëlietenwoonden ook in Egypteland. En Israël is in zichzelf niet beter dan Egypte. De Israëlieten hebben ook gezondigd. Ze hebben God ook getart, Zijn eer geroofd en Zijn deugden geschonden.
Ze zijn evenals de Egyptenaren kinderen van Adam, die in zichzelf nooit kunnen bestaan voor de heilige God. Ze zullen ook naar recht moeten sterven.
Als de eerstgeborenen van Israël straks toch mogen blijven leven, en Egypteland uittrekken, is dat niet omdat God afstand doet van Zijn recht. De enige reden dat Israël toch aan het oordeel ontkomt, is omdat God komt met het wonder van de plaatsvervanging. Hij gaat Zelf een lam aanwijzen dat moet sterven in de plaats van de eerstgeborene. Naar Zijn recht! Wat voor lam dat moet zijn, lezen we in onze tekst. Drie vereisten worden genoemd.
1. Om te beginnen moet het lam ‘volkomen’ zijn. Letterlijk staat er in het Hebreeuws; volmaakt. Het dier mag niet
ziek zijn, geen wond hebben. Het mag niet blind zijn of kreupel. De verhoudingen moeten goed zijn. Een        ‘volkomen’ lam.
2. In de tweede plaats moet het lam een ‘mannetje’ zijn. Al in de tijd van het Oude Testament was het mannetjesdier het kostbaarste dier. Het was een hogere prijs waard dan een vrouwtjesdier. En daarnaast was het ook zo, dat dit lam straks moest gaan sterven in plaats van de eerstgeboren zoon. Ook daarom moest het een mannetje zijn.
3. Tenslotte moet het lam ‘een jaar oud’ zijn. Dat wil zeggen: in de volle, ongebroken kracht van het leven. Want als een lam een jaar oud was, dan was het volwassen.
Dát zijn de drie eisen die God Zelf stelt aan het lam. Alleen áchter het bloed van een volkomen, mannelijk, eenjarig Lam zal er ontkoming zijn aan het oordeel. Vormt het paaslam zoals het in ons tekstvers getekend wordt, niet een duidelijke heenwijzing naar de Heere Jezus Christus?
a. Christus zal om te beginnen een volkomen lam zijn. Hij zal geen enkel gebrek hebben. Geen enkele zonde. Hij zal
kunnen vragen: ‘Wie overtuigt Mij van zonde?” Als God vanuit de hemel neerziet op Zijn Zoon, ziet Hij een volkomen Lam. Een ‘onbestraffelijk en onbevlekt Lam’ (1 Petrus). Een Lam zonder enige zonde. Een Lam dat Zijn wet volkomen gehouden heeft. Dit offer kan Gods heilig oog behagen!
b. Christus zal in de tweede plaats ook het kostbare lam zijn. Zoals het mannetjesdier het kostbaarste dier was van de
kudde, is Christus in nog veel diepere zin het kostbaarste Lam. Want Hij is Gods geliefde Zoon. En die Zoon heeft
God nu niet gespaard, maar al in stille vrederaad aangewezen als het Lam Gods. Wat spreekt daarin de liefde van God voor verloren zondaren! Kostbaar wordt dit Lam echter ook voor Zijn Kerk. Tegen de achtergrond van
hun schuld, hun rechteloosheid, hun doemwaardigheid. Maar niet minder tegen de achtergrond van Gods
dienenswaardigheid. ´U dan die gelooft, is Hij dierbaar´, schrijft Petrus. Mag het ook u gelden?
c. Christus is in de derde plaats het Lam, Dat zal sterven in de kracht van Zijn leven. Op drieëndertigjarige leeftijd. O zeker, Zijn kracht is gebroken in een weg van lijden. Maar  vergeten we niet: dat heeft Hij vrijwillig ondergaan. Als Hij sterft, legt Hij machtig en gewillig Zelf Zijn leven af. Wie is dit Lam voor ù? Van nature verachten wij Hem Jesaja 53:2-4. Omdat we ons thuis weten in het donkere Egypte van de zonde. Wat is het nodig dat we ons Egyptisch zondebestaan en onze afkomst uit Egypte persoonlijk ontdekt krijgen. Dan zullen we, net als Israël, gaan roepen vanuit de ellende Exodus 2:23. Wat een wonder als zulke roepers een weg van ontkoming wordt aangewezen bij God vandaan, in het Lam. Maar tegelijk: we zullen ons dan ook geen rust mogen gunnen voordat we persoonlijk mogen wéten, te schuilen achter het bloed van dit Lam!
Ds. A. J. T. Ruis.

Een brutale melaatse?

                ‘Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.’
                             ‘Ik wil, word gereinigd!’
                                        Matth. 8:1-4

Zou er voor mij nog genade te verkrijgen zijn? Dat is de vraag waar mensen mee kunnen zitten. Wat kan het
moeilijk, ja onmogelijk worden, om dat te geloven, juist als je zicht hebt gekregen op de veelheid en de grootheid van je zonden. Ondertussen is het wel van levensbelang dat er zekerheid komt omtrent deze vraag. De geschiedenis van de genezing van de melaatse wil ons erbij helpen.

Melaats-onrein.
We ontmoeten deze melaatse temidden van de vele scharen die na afloop van de Bergrede Jezus volgen. Vele volgelingen zien in Hem een groot profeet. Maar deze man heeft behoefte aan meer dan een profeet. Daarom wordt hij er door Mattheüs uitgelicht. Hij volgt niet alleen, maar hij “komt” tot Jezus. Dat is een wonderlijke zaak als je de man nader bekijkt. Hij is immers melaats en een melaatse moet op een afstand blijven. Dat vereist de ernst van zijn ziekte. Niet alleen heeft hij vuile zweren
en builen op de huid, maar heel het lichaam is ongeneeslijk ziek. Langzamerhand wordt heel het lichaam verminkt. Voor de veiligheid van de mensen heeft de wet van Mozes voorgeschreven dat een melaatse uitgesloten wordt van de
maatschappij, en trouwens ook van de eredienst. Dat laatste komt ook omdat een melaatse ‘onrein’ is in
geestelijke zin. De joden hebben melaatsheid van ouds gezien als een teken van de vloek van God over het leven van de zondaar. In die zin is deze man een beeld van ons allen. Zijn we er al aan ontdekt? Dat moet, ook opdat er ruimte komt in het hart voor Christus. Bij deze man is dat blijkbaar gebeurd. Hij heeft niet alleen zijn ziekte ondervonden, maar ook iets van de diepe nood van zijn zondaarsbestaan gepeild. Dat blijkt uit zijn eigen woorden; hij behoeft niet zomaar genezing, maar reiniging.

Vertrouwen
Behalve dat hij door zijn vraag aan de Heere iets over zichzelf verraadt, blijkt ook uit die woorden hoe hij tegen de Zaligmaker aankijkt. Wat blijkt dan? Dat hij een zeker vertrouwen in Hem heeft. Dat blijkt allereerst uit de aanspraak: Heere! De melaatse erkent Hem als de machtige Heere. Die in staat is om ellendigen te helpen. Dat zegt hij vervolgens ook met zoveel woorden: ‘ indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen”. Ik weet niet of U dat wilt, maar als U bereid bent mij te helpen, dan kunt U het doen!

Is dat misschien ook de taal van uw hart? Dat Hij het doen kán,
geloof ik wel, in ieder geval voor ieder ander! Zo kunnen we daarmee bezig zijn. Maar heeft u het al zo tegen de Heere Zelf gezegd? En dan zo persoonlijk als deze melaatse: ‘indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.’ Niet een ander maar mij! Zo de Heere aan te roepen is een daad van geloof. Het is nog wel pril. Het is misschien ook een geloof met veel twijfels, omdat je zegt: het zou terecht zijn als Hij mij weg zou sturen want ik ben een onreine. En toch: wie zo die nood aan Hem bekend maakt en vertrouwen mag oefenen in Zijn macht…..die wordt in dat vertrouwen niet beschaamd. Dat heeft de melaatse ook ondervonden. De Zaligmaker loopt niet weg en stuurt hem niet weg. Dat duldt Zijn zondaarsliefde niet. Hij is gekomen verlorenen te zoeken en ellendigen te verlossen. Als een zondaar tot Hem komt, dan vindt hij genade. Het antwoord bewijst het.

Woord en daad.
Eigenlijk gebeuren er twee dingen. Jezus antwoordt in woord en daad. Zijn woord is een heerlijk getuigenis van Zijn
ontferming: ‘Ik wil!’, zegt Hij. Is dat geen bemoediging voor wie twijfelt aan Zijn bereidwilligheid? Jezus zegt: ‘Ik wil’. En Hij zegt ook: ‘wordt gereinigd’. De macht waaraan de melaatse man zich vastklampte wil Hij in dienst stellen van Zijn liefde. Zo is de Heere Jezus. Hij heelt gebrokenen van harte en Hij verbindt ze in hun smarten, die in hun zonden en ellende tot Hem zich ter genezing wenden!

Hoe?
Hoe de Heere Jezus dat kan doen? Hoe dat gaat? Let dan ook op Zijn daden. Want nog voor Hij met Zijn mond het antwoord geeft, ligt daar al een antwoord in. De melaatse, die tot Jezus kwam….hij heeft gehoopt op ontferming. Van de mensen hoefde hij het niet te verwachten, die deinsden bij het zien van zijn verminkte lichaam verschrikt opzij. Maar zo niet de Zaligmaker. Die stapt niet opzij of achteruit, maar op hem toe. En dat niet alleen, Hij raakt hem nog aan ook! Teken van meeleven? Dat ook! Teken van gemeenschap met deze uitgestotene? Dat ook! Maar niet alleen. Hij is niet alleen medelijdend, want dan had je er nog niets aan. Maar Hij is de schuldovernemende Borg. Dat blijkt als Hij de melaatse aanraakt. Want wie een melaatse aanraakt, wordt zelf onrein. En zo neemt Christus – met dat Hij de melaatse reinigt – de ziekte over, om hem mee te dragen naar het vloekhout van Golgotha. Ziet u Hem? Is Hij geen liefdevolle Borg? Hij is de Zaligmaker van hopelozen. Hij is de Redder van verlorenen. En Hij kan dat doen omdat Hij hun nood tot de Zijne maakt. Hij maakt Zich één met zondaren. Hij ruilt met hen van plaats. Zij
de reinheid en het leven.

Hij de onreinheid en de dood! Zo openbaart Hij Zichzelf in Zijn Woord als de bereidwillige
Borg. En Hij vraagt om geloof. Geloof dat Hij Zelf bovendien wil schenken en dat het uit Zijn mond mag horen: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’
Ds. A. van der Zwan.

Zalig de treurenden

´Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden´
Mattheus 5:4

De wereld is een groot tranendal. Niemand die weldenkend door dit leven gaat zal dit betwisten. Het kind komt huilend ter wereld en wordt niet zonder tranen groot. Wat een tranen kunnen er gehuild worden over de pijn die men moet lijden op een ziekbed. Of over de teleurstellingen die men moet ervaren. Wat een tranen van verdriet bij rouw en verlies. Hoeveel tranen hebben vaders en moeders als ze zien wat een ellenden hun kinderen moeten meemaken, ook het verdriet wat ze van hun kinderen hebben. Al deze genoemde tranen en nog veel meer, zijn niet de tranen van de treurigen die door de Heere worden zalig gesproken. Want als dit het geval was, als ieder die treurde zalig zou worden dan ging er geen mens verloren, omdat er niemand op de wereld is die geen tranen heeft. Dat alle mensen zalig worden kunnen wij niet geloven. De bijbel spreekt daar anders over. De meeste tranen die geschreid worden moeten we rangschikken onder de droefheid der wereld. Dat is een wereldse droefheid die de dood werkt. Zalig zijn die treuren. Daar worden mee bedoeld de armen van geest, of de geestelijk armen. Die aan hun zonden en schuld en daarom ook aan hun Godsgemis zijn ontdekt geworden. Zij kennen de zielesmart hierover dat zij zozeer gezondigd hebben, dat ze door hun overtredingen de Allerhoogste Majesteit, een goeddoend God beledigd hebben. En ook hierom dat ze een hart hebben dat nooit wil wat God wil. En nu moeten zij vaak om de zonde, leven onder de verbergingen van Gods aangezicht. Want God is een God die zich om wijze oorzaken zich wel eens een ogenblik verborgen houdt. Net als een moeder die zich wel eens verbergt voor haar kind dat weggelopen is. Wat kan een kind dan een verdriet hebben als het terug komt en moeder niet ziet. Wat kan het dan gaan roepen om moeder, verlangen naar moeder. Dan is er verdriet, dat zijn daar tranen omdat ze moeder niet ziet. Zulke tranen worden nu ook door een treurende naar God geschreid, ze zijn God kwijt en God niet meer te kunnen missen. Zulke tranen verraden een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Zij schreien dus geen tranen over de gevolgen van de zonde, maar om de zonde zelf. Hun tranen zijn hun daarom tot spijze dag en nacht.
Het is niet zo dat zulken met hun tranen te koop lopen. Verre van dat. Zij worden meestal in het verborgen geschreid. Ook al worden de tranen niet altijd in de ogen gezien, ze zijn er wel in het hart. Zulke tranen nu, uit een droefheid naar God, zijn parelen gelijk, ze zijn dierbaar in Gods oog. Kent u zulke tranen? Want zulken worden zalig gesproken,
gelukkig verklaard. Dat doen de treurigen zelf niet, nee, zij gevoelen zich vaak ongelukkig vanwege de zonde en de
ongerechtigheid. Maar de Heere spreekt hen zalig. Hij zegt het. Het is waar, het zijn toch zalige tranen, zoete tranen, want het getuigt van een droefheid naar God. Deze dingen verstaat de wereld niet. En de schijnvrome die altijd zingen kan verstaat dit evenmin. Maar Gods kinderen verstaan dit. Verstaat u het ook? Dan bent u zalig en zal vertroost worden. Niet door mensen, want dat zijn moeilijke vertroosters, maar door God zelf. Hij doet het. En daar mag hier op aarde bij tijden iets van ondervonden worden. Wanneer door het geloof verstaan mag worden dat de Heere geen zonden meer ziet in Zijn Jacob en geen ongerechtigheid in Zijn Israël. Als Hij Zijn aangezicht in gunst over hen doet lichten, dan komen er zelfs tranen van vreugde en blijdschap. Eens zal de dag van de volle vertroosting komen, dan zal God alle tranen van hun ogen afwissen. Dan zal eeuwige blijdschap op hun hoofden wezen.
Ja, hun blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van Zijn aangezicht straalt ten hoogste toppunt stijgen.
Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden. Die dit treuren niet kennen, voor hen is geen troost weggelegd. Voor hen schiet niets anders over dan eeuwig wenen. Hoe zal het met u zijn in de eeuwigheid? Wenen of blijdschap?
Wijlen ds. H. C. van der Ent

De adeldom van de bedelstaf

´Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen`
Mattheüs 5:3

Deze woorden van de Zaligmaker staan haaks op onze menselijke gedachten en gevoelens. Naar ons besef komen vooral mensen die veel bezitten en in aanzien staan in aanmerking om gelukkig geprezen te worden. De Heere Jezus
zegt echter dat niet de rijken maar de armen welgelukzalig zijn. Daarbij moeten we wel bedenken dat het hier gaat om een bijzonder soort van armoede. Het gaat hier met nadruk over de armen van geest.

Wat zijn dat eigenlijk voor mensen? Wel, hun armoede raakt niet zozeer de buitenkant van hun leven maar hun innerlijk. Letterlijk staat er in de oorspronkelijke tekst voor ‘armen van geest’ namelijk ‘geestelijke bedelaars’. We zouden kunnen zeggen dat het hier gaat over mensen die in geestelijk opzicht tot de bedelstaf zijn gebracht. Nu is de meest opvallende trek van een bedelaar dat hij niets bezit. Hij is straatarm! De armoede is zijn hele leven gaan beheersen. Iedere dag wordt hij aan zijn ellendige omstandigheden herinnerd en hij weet dat hij zal omkomen als hij de straat niet opgaat om te bedelen, om zijn lege hand op te houden. Zo zijn er ook mensen die in geestelijk opzicht bedelaars zijn geworden omdat ze hun innerlijke armoede gingen inleven. Nu maakt de bijbel ons duidelijk dat ten diepste alle mensen straatarm zijn in Gods heilige ogen. Door de zonde zijn wij onze geestelijke rijkdommen kwijtgeraakt en missen we alles. Alleen….we zien dat van nature niet. We leven in de waan dat het er met ons nog niet zo slecht voorstaat. We zijn rijk en verrijkt en het ontbreekt ons aan niets. Maar als Gods Geest in ons leven gaat werken, ontdekken we hoe arm wij eigenlijk zijn. We gaan inzien dat we in Gods ogen alles missen. We komen er achter dat we geestelijk niet aan een aantal dingen gebrek hebben maar dat we straatarm zijn.

Wat gaan we dan missen als we onze armoede voelen? We ontdekken dat we blind zijn, dat we geen echte kennis bezitten van God, van onszelf en van Christus. We gaan beseffen dat er bij ons geen mogelijkheden zijn om de blinde ogen van ons hart te openen. Daarom gaan we bedelen; Heere open U mijn ogen; leer mij wie Gij zijt, wie ikzelf ben en wie Christus is; geef mij verstand met goddelijk licht bestraald. Eén van de dingen die ons ontbreekt, is boven alles gerechtigheid. In het licht van de bijbel gaan we verstaan dat onze verhouding met God een verbroken verhouding is. We zien dat er tussen de Heere en ons bergen van schuld staan en dat wij die schuld nooit kunnen betalen. Er blijft niets anders over dan, om als een bedelaar te vragen: Heere verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens genade!
We gaan ook heiligheid missen. We ontdekken dat ons leven vanaf onze geboorte niet overeenstemde met Gods geboden. We gaan inleven dat ons hart vol is met onreinheid. We leren onze bedelaarshanden uitstrekken naar de Heere en smeken: schep mij een rein hart o God en vernieuw in mij een vaste geest! In één woord, we zijn God kwijt en dat gemis gaat branden in ons hart omdat we voelen dat we God niet kunnen missen. Zo komen we op onze knieën terecht en bidden: o God, wees mij de zondaar genadig.
Dit bidden wordt ook bedelen genoemd omdat een bedelaar geen recht heeft. Hij is afhankelijk van de ander, de gever. Zo is het ook met geestelijke bedelaars. Zij hebben niets in zichzelf maar voelen ook dat ze Gods gunst niet hebben verdiend. Toch kunnen ze Hem niet loslaten, zulke bedelaars gaan op hun knieën voor Gods genadetroon. Hij voelt zich verbonden met de tollenaar die achter in de tempel stond.
En toch…zulke mensen noemt de Heere Jezus zalig. Daar begrijpt de wereld nou niets van. En die bedelaars zelf? Ze
durven het ook niet te geloven. Ik…zalig? Ik voel me alleen maar arm en ongelukkig. Toch zegt de Zaligmaker, zalig zijt gij als gij als een geestelijke bedelaar uw hand moet ophouden. En daar blijft het niet bij. De Heere Jezus voegt er ook nog een belofte aan toe: want hunner is het koninkrijk der hemelen. Wat dat koninkrijk is? Het is het rijk waar God Koning is. Het rijk waarin de banden van de zonden en de dood verbroken worden. Het rijk waarin alleen gerechtigheid woont en verlossing te vinden is. Dat koninkrijk is neergedaald in Christus. In Hem heeft God Zijn rijk opgericht in deze gevallen wereld. In dat koninkrijk is geen armoede meer maar alleen rijkdom. Waarin die rijkdom bestaat? Die bestaat in wijsheid, gerechtigheid en heiligmaking, ja in een volkomen verlossing. Deze onmetelijke schatten worden aan geestelijke bedelaars toegezegd. Zij beseffen dat ze arm zijn aan kennis en inzicht.
Maar deze Koning belooft hen de ogen te openen en wijsheid te schenken in de dingen van Zijn koninkrijk.
Zij erkennen dat zij de gerechtigheid missen. Hij laat echter zien dat er bij Hem een onuitputtelijke rijkdom is aan gerechtigheid, aan vergeving van zonde en schuld. Zij staan met lege handen, die bovendien nog bevlekt zijn, omdat zij geen heiligheid bezitten. Maar bij deze Koning is een volheid aan heilige woorden en werken, aan heilige gedachten en verlangens. Hij wil hun hart reinigen en hen leiden op de weg der zaligmaking. Ja, al die schatten van dit koninkrijk wil de Zaligmaker uit genade aan bedelaars schenken! Die zaligheid ontvangen zij niet pas in de toekomst. Nee, in dit leven wordt al iets van deze rijkdom ervaren, al zal de volle betekenis van deze zaligspreking pas in de eeuwigheid beleefd worden.

Misschien zegt iemand: Die schatten ken ik niet, ook niet in beginsel. Ziet u dan uw armoede niet? Zou u niet gaan bedelen aan de troon van zijn genade? In het koninkrijk van deze Koning is het niet verboden om te bedelen. Hij heeft het Zelf gezegd dat Hij juist op armen en verslagenen van geest wil
neerzien en op hen die voor Zijn woord beven. Ja, mensen die zichzelf tot de bedelstaf brachten, worden de edelen van Zijn koninkrijk. Bij de mensen onmogelijk, maar mogelijk bij God.
Wie is aan onze God gelijk?
Die armen opricht uit het slijk?
Nooddruftigen van elk verstoten,
goedgunstig opheft uit het stof,
en hen, verrijkt met eer en lof,
naast prinsen plaatst en wereldgroten
Prof. A. Baars

Geen vrees

Vrees niet! (Lukas 1:13)

Wonderlijk zijn de woorden van onze tekst. Op het moment dat ze klinken – in het heilige van de tempel – heeft Zacharias zojuist het reukoffer gebracht. Hij heeft handen vol reukwerk gestrooid op de gloeiende kolen van het gouden reukofferaltaar. En terwijl een rookwolk omhooggaat, buigt hij zich voor het altaar neer en stijgt uit zijn hart het gebed op. Of de Heere Zijn arme volk in deze donkere dagen genadig wil zijn. Of Hij wil komen met Zijn verlossing. Of Hij Zijn belofte wil vervullen en de Messias wil zenden. Wanneer Zacharias zo als priester gebeden heeft in het heilige, en zijn ogen weer op het altaar richt, maakt een grote schrik zich van hem meester.
Want aan de rechterzijde van het altaar ontwaart hij een engel. Eén van Gods boodschappers. Afkomstig uit de tempel, waar alles spreekt van Gods heerlijkheid en majesteit en heiligheid. En iets van die heerlijkheid en heiligheid straalt van deze engel af. Zacharias schrikt hevig. Waarom? Is dat omdat hij op dit moment niemand had verwacht in de stilte van het heilige? Brengt de plotselinge verschijning hem van zijn stuk? Nee, we moeten dieper afsteken. Want hier, in het heilige van de tempel, vindt een ontmoeting plaats tussen een hemelbode van de heilige, majesteitelijke God en een zondig mensenkind. Al doet Zacharias als priester dienst in het heilige, al staat van hem geschreven dat hij ‘wandelde in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk’, toch is hij een zondig, onheilig mensenkind, die niet kan bestaan in het licht van Gods heiligheid. Zelfs niet, wanneer die heiligheid alleen nog maar afstraalt van een engel. Daarom schrikt Zacharias. Kent u, ken jij die schrik? Omdat God in Zijn heiligheid en majesteit u tegenkwam? En u zichzelf – juist in het licht van Gods heiligheid en majesteit – ging ontwaren zoals u werkelijk voor God bent. Als een onheilige, een onreine. Die voor de heilige  God niet bestaan kan. Niet met uw zonden. Niet met uw zondige hart, die vuile bron van al uw wanbedrijven. Maar ook niet met uw zogenaamde goede werken, die ten diepste niets
anders zijn dan blinkende zonden. Wie zich zo leert kennen, beseft: Ik heb alles te vrezen! De vloek van Gods wet, die mij veroordeelt. De toorn van een heilige God. Zacharias kende er iets van. Paulus kende er iets van, want hij zegt: ‘Wij dan wetende de schrik des Heeren…’En u? En jij? Niet vrezen. Voor zulke mensen wordt het een wonder, als de
Heere heel persoonlijk datgene zegt, wat Hij bij monde van de engel ook heel persoonlijk tegen Zacharias zegt: ‘Vrees niet, Zacharias!’ O ja, Zacharias, in uzelf hebt u alle reden om wel te vrezen. U kunt in uzelf niet bestaan voor Mij, de heilige God. Zelfs niet wanneer u in het heilige van de tempel priesterdienst verricht. Maar wanneer Ik zeg, dat u niet te vrezen hebt, dan hebt u ook werkelijk niet te vrezen. Als God het zegt….Wat is dat nodig voor ons allen! Dat we het ‘Vrees niet!’ heel persoonlijk horen uit zijn mond. U moet het niet horen uit de mond van een ander mens. U moet het niet horen uit de mond van een dominee – het zou een valse profeet kunnen zijn, die spreekt van ‘vrede, vrede, geen gevaar’. Maar u moet het horen uit de mond van niemand minder dan de Heere Zelf. Is uw kerkgang, ook in de adventsweken, gestempeld door het gebed: “Heere, ik ben niet waardig dat U onder mijn dak zou inkomen, maar spreek slechts dit ene woord: Vrees niet!’ Ja, vraagt u, maar hoe kan God dat zeggen? Hoe is het mogelijk dat de heilige God tegen mij, zondig en onheilig mensenkind, zegt: Vrees niet!? Dat kan alleen vanwege datgene wat de engel hier vervolgens zegt tegen Zacharias: ‘Uw gebed is verhoord.’ Welk gebed bedoelt de engel hier? Het gebed van Zacharias en Elizabeth om een kind? Nee. Allereerst gaat het om het gebed dat Zacharias zojuist als priester voor het volk heeft opgezonden. Terwijl een wolk van reukwerk van het reukofferaltaar omhoog steeg, steeg immers ook het gebed van de priester omhoog: ‘Heere, wees uw arme, wachtende volk genadig. Kom met Uw genade. Kom met de vervulling van de belofte van de Messias. Dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.” Dat adventsgebed heeft de Heere verhoord. Letterlijk staat er in de grondtaal: Uw gebed werd verhoord. Hoe? Omdat God in de stilte van de eeuwigheid zijn Zoon al aangesteld heeft tot een Middelaar. En straks zal Hij Zijn Zoon zenden naar een wereld verloren in schuld. Straks zal die Zoon geboren worden. Geboren worden om te lijden en te sterven. Vanaf het allereerste begin zal Zijn weg een weg van angst en vrees zijn. We zullen het Hem horen zeggen:  Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?’ (Johannes 12:27). We zullen van Hem lezen, dat Hij droevig en zeer beangst begon te worden’ (Matt 26:37). Hij zal het zeggen tegen Zijn discipelen: ‘Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe’( Matt.26:38). Met welke bedoeling zal Hij die diepe weg moeten gaan? Opdat verloren zondaren, die alles te vrezen hebben, het mogen horen uit Gods mond: ‘Vrees niet!’ Geen vrees meer voor hen, maar wel angst en vrees voor Hem.
De wonderlijke woorden van onze tekst rusten op de grond van Christus’ diepe lijden en sterven. Hem vrezen…. Mocht u dat door genade leren? Ging u zien dat u zelf alles te vrezen hebt en mocht u buigen onder de Heere?
Mocht u het heel persoonlijk uit de mond van de Heere vernemen: ‘Vrees niet!’? En mocht u ook zien, op welke grond die woorden nu rusten – op de grond van Christus’ verdienend lijden en sterven? Dan is er in uw leven ook een verlangen gekomen. Een verlangen om Hem te vrezen als het allerhoogst en eeuwig Goed. Daar zingt Zacharias straks zelf van: ‘Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden, in heiligheid en gerechtigheid voor hem, al de dagen van ons leven.’ Daar werkt de Heere op aan. Daar kunnen net als in het leven van Zacharias ook tijden van zwijgen, van moeten zwijgen, aan voorafgaan. Maar aan het einde van Lukas 1 treffen we een zingende
priester aan. God heeft zangstof gegeven. God heeft Zacharias’ tong losgemaakt. ; Hij geeft hem opnieuw een danklied tot Zijn eer.’ En dan heft Zacharias de lofzang aan. Zeg eens, kunt u, kun jij ook al instemmen met die lofzang van Zacharias?
Ds. A. J. T. Ruis

Nochtans

“Wie is er onder ulieden die de HEERE vreest? Die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN en steune op zijn God. “ Jesaja 50:10

Een rechtstreekse vraag aan het begin van deze meditatie: ‘Vreest u de Heere?’ Het is de vraag die Jesaja aan zijn gehoor stelt. En die nu aan u gesteld wordt. Een fundamentele en alles beslissende vraag. Let erop dat het een persoonlijke vraag is. Gesteld in het enkelvoud. Door de Heere in Zijn Woord heel persoonlijk aan het hart gelegd: “Behoort u tot degenen die Mij vrezen?” Denk niet dat de Heere een vraag stelt waarop Hij het aan u overlaat
om al dan niet een antwoord te geven. Nee, Gods vinger is naar u uitgestrekt. “Hoe is dat met u? Vreest u mij? “ Een vraag die om antwoord roept.
Wat is het kenmerk van degenen die de Heere vrezen? Ze horen naar de stem van Zijn Knecht. Met een hoofdletter! Die Knecht des Heeren is in dit hoofdstuk aan het woord. Hoor wat Hij zegt: “De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven. Opdat ik wete met de moede een woord te rechter tijd te spreken….” (vers 40. Deze Knecht is dus de Profeet van de allerhoogste God. En Hij zegt nog meer: “Ik geef Mijn rug degenen die Mij slaan. En Mijn wangen aan degenen die Mij het haar uitplukken. Mijn aangezicht verberg ik niet voor smaadheden en speeksel” (vers 6). Wie is Hij, deze Knecht des Heeren? Hij is de gesmade Zoon des mensen, die geen gedaante en heerlijkheid had. Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen. Hij heeft Hem krank gemaakt. Hij heeft Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld. Wie Hij is? Vraagt gij Zijn naam? Zo weet dat Hij de Christus heet.
En nu zijn degenen die de Heere vrezen: degenen die naar Zijn stem horen! Het is het volk dat het geklank kent. Dat Zijn stem herkent. Het zijn Zijn schapen, de schapen Zijner weide. Want zegt de Heere Jezus: “Mijn schapen horen Mijn stem. En Ik roep Mijn schapen bij name. En Ik leid ze uit!” Kent u Hem? Hoort u ook naar Zijn stem? Heeft Hij door genade Zich in die stem geopenbaard? Hebt u Hem leren kennen? En begeert u te vervolgen Hem te kennen? Kunt u daarom niet meer zonder Hem leven? Zegt u het: “Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht! Ik zoek Uw aangezicht, o Heere. Verberg Uw aangezicht niet voor mij. Keer Uw knecht niet af in toorn…” Kunt ook u met niemand anders uw leven vervolgen dan met Hem?
En nu lezen we van degenen die de Heere vrezen, van hen die naar de stem van de Knecht des Heeren horen: ze wandelen in de duisternissen en ze hebben geen licht. Vindt u dat niet vreemd? Je zou toch juist van dezen verwachten dat ze in het licht wandelen? In plaats van in de duisternis. Ja, wij kunnen dat wel denken. Maar toch lezen we hier: ze wandelen in de duisternis. En ze hebben geen licht! In Jesaja 50 zijn het de ballingen in Babel.
Ze missen de gemeenschap met de Heere. En ze denken dat de Heere hen verlaten en vergeten heeft ( 49:14). Het is voor hen aan alle kanten donker. Voor hun besef is het licht gedoofd. Hun hoop is vergaan en hun moed is ingezonken. Zo kan het inderdaad zijn in het leven van Gods kinderen. Dat het aangezicht van de Heere voor hen onzichtbaar geworden is. Onze belijdenis zegt over het aanschijn van de verzoende God, dat de aanschouwing daarvan voor de godvruchtigen zoeter is dan het leven en de verberging bitterder is dan de dood. De oorzaken van deze verberging kunnen onderscheiden zijn. Die kunnen liggen in zonden en overtredingen. Zodat de Heere in
het leven van zijn kinderen komt met tuchtigingen en kastijdingen. Denk maar aan de mensen in Babel.
Maar het kan ook anders. De Heere, Hij leidt Zijn heiligen altijd wonderbaar! (Kohlbrugge). Altijd heel anders dan zij het zich hebben voorgesteld. Zijn weg met hen gaat door een diepe zee. Belooft Hij hun het licht, dan maakt Hij alles duister. Belooft Hij hulp, dan wordt elk steunsel verbroken. Waar Hij wil bouwen, daar breekt Hij af. Waar Hij wil oprichten, daar keert Hij om. Waar Hij wil troosten, daar maakt Hij zielsbedroefd. Dat is de verborgenheid van Gods soevereine weg. Zijn weg is in de zee en Zijn pad in grote wateren. Maar zo leidt Hij Zijn volk. En Gods Kerk roept het uit: “Wie is als Gij?”
Waar komt het dan op aan? Op dat wat we vinden in onze tekst: te betrouwen op de Naam des Heeren. En te steunen op mijn God! Dat is geen gemakkelijk werk. Dat is zelfs een onmogelijk werk. Dat is midden in de nacht toch daaraan vasthouden: “God is mijn Licht, wie zou ik vrezen….” En dat is midden in de duisternissen en de golven nochtans betrouwen op de Rotssteen des Heeren. En in de grootste droefheid het
desondanks belijden: “Zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen. Ik zal mij verheugen in de God mijns heils. De Heere HEERE is mijn Sterkte.” Het is met Paulus en Silas zingen in de nacht.
Hoe zal dat kunnen? Het is vanuit mezelf onmogelijk. Het kan alleen in de gemeenschap met de Knecht des Heeren. Het is genade! Namelijk als ik door de verborgen werking van Gods Geest leef uit die Christus, Wiens weg geen andere was. Dieper dan iemand anders ging Hij de duisternis in. Zijn weg ging door lijden tot heerlijkheid. Door de dood tot het leven. En op die weg neemt Hij ze allen mee die door het waarachtig geloof een plant met Hem zijn geworden. Dan kan ik niet anders dan achter Hem aan, de overste leidsman en Voleinder des geloofs. Maar dit is mijn troost waar ik dan ook kom – hoe zwart de nacht ook is – Hij is er al geweest en Hij heeft het pad al gebaand. Dan kan het in de duisternis toch zijn: “Ik steun op God, mijn Toeverlaat. Dies heb ik niets te vrezen. Wie God
vertrouwt, dien deert geen kwaad. Uw tent zal veilig wezen…” Is dat ook uw perspectief?
Ds. J.M.J. Kieviet

Van hart tot hart

‘Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE, wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving….’
Psalm 130:3

‘In de psalmen zie je de heiligen in het hart. ‘ Die woorden zijn overbekend. Hoe komt het toch dat juist in de psalmen mensen ons zo’n blik gunnen in het hart? Zou de reden niet zijn dat we hier mensen tegenkomen die tot God naderen en hun hart voor Hem leerden openleggen? Waar dat gebeurt, worden de dingen die in het hart leven zo doorzichtig. Als we zo een blik werpen in het hart van deze dichter, zien we niet veel goeds. Hij erkent dat zijn hart vol is van ongerechtigheden. Dat heeft hij bij het licht van Woord en Geest ontdekt. Zo heeft hij leren inzien dat
hij door zijn zonden Gods wet heeft overtreden en schuldig staat voor Zijn hoge majesteit. Daarom belijdt de dichter ook met een verbroken hart: ’Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat; wie zal bestaan?’
Eigenlijk heeft dat woord ‘gadeslaan’ verschillende betekenissen. Het wil allereerst zeggen: nauwlettend bezien.
De Heere beziet de ongerechtigheden nauwkeurig. Daarbij ziet Hij meer dan iemand anders kan ontdekken. Hij weet niet alleen van onze woorden of onze daden, ook onze gedachten en de overleggingen van ons hart liggen open voor Hem. Bovendien: de Heere doorgrondt dat alles! Hij ziet onze zonden in hun ware gedaante en hij doorschouwt het bedrieglijke van ons hart volkomen. Als Hij – de Alwetende – mijn ongerechtigheden gadeslaat, wie kan dan bestaan? Het woord ‘gadeslaan’ heeft ook de gevoelswaarde van : in gedachtenis houden.
De Heere vergeet niet één zonde die Hij gezien heeft. Wij mensen vergeten de overtredingen van vroeger heel
gemakkelijk. Aan veel zonden uit het verleden willen we ook liever niet denken. We hebben ze begraven onder het zand van de tijd. Maar God is ze niet vergeten. En als Hij ons door Zijn Woord en Geest aan onze ongerechtigheden herinnert, gaan we ontdekken dat Hij van al het kwaad dat we deden afweet. Onze zonden komen terug: de zonden van onze kinderjaren, de zonden bij het ouder worden. Als Hij Die de ongerechtigheden in gedachtenis houdt – al het kwaad dat ik bedreven heb voor ogen stelt, wie kan dan bestaan?
De uitdrukking aan het begin van onze tekst heeft een derde betekenis. We zouden de woorden nl. ook zo kunnen lezen: ‘Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden toerekent….!’ In Gods ogen zijn we ten volle verantwoordelijk voor onze zonden. Wij kunnen proberen ons te verschuilen achter allerlei verontschuldigingen. Wij kunnen ons mogelijk beroepen op verzachtende omstandigheden. Maar God rekent ons de ongerechtigheden toe, ten volle. Als Hij – Die de strikt Rechtvaardige is – mij verantwoordelijk stelt voor al mijn zonden, wie kan dan bestaan?
De tekst geeft op deze indringende vraag geen direct antwoord, Toch behoeven we geen moment te aarzelen welk antwoord bij deze vraag past; Niemand kan voor deze heilige God bestaan! Wij allen hebben immers gezondigd en ons vergrepen aan Gods hoge Majesteit. En deze Majesteitsschennis roept om het zwaarst denkbare vonnis: de dood! Zo hebben wij alle bestaansrecht voor God verzondigd en de dood over ons gehaald. Daarom spreekt de psalmdichter met deze vraag ook het vonnis uit over alle kinderen der mensen, maar toch wel het allermeest en het allerdiepst over zichzelf…! Toch blijft het daarbij niet. De dichter van deze psalm heeft namelijk niet alleen gezien wat er in zijn eigen hart omging. Hij heeft ook – door genade – oog gekregen voor het hart van God. Want terwijl hij moet erkennen dat hij voor God niet bestaan kan, belijdt hij óók dat er bij God vergeving is. Hoe is dat mogelijk?
Ziet God de zonden dan zomaar door de vingers? Neen, dat kan niet. Hoe kan de dichter dan zeggen: ‘Maar bij U is
vergeving…?’ Misschien kan een heel oude vertaling van dit vers ons bij deze vraag helpen. Daar luiden deze woorden: “Maar bij U is verzoening…” Misschien mogen we zelfs lezen: “Maar bij U is een verzoendeksel…!” God Zelf heeft ervoor gezorgd dat die ongerechtigheden verzoend kunnen worden. De hele dienst van de verzoening in de tempel sprak daarvan. Op Gods bevel moest het bloed van het offerdier vloeien en gesprenkeld worden op het gouden verzoendeksel in het Heilige der heiligen. Want alleen door het bloed kon de zonde worden uitgedelgd. Heel duidelijk wijst dit heen naar het bloed dat éénmaal gestort is door hét Lam van God, de Heere Jezus Christus. Al de zonden, heel de schuld van de Zijnen, werd op Hem geladen. En toen God die ongerechtigheden gadesloeg, kon Hij in Gods gericht niet bestaan. Op Golgotha is Hij ten ondergegaan in de vuurgloed van Gods toorn. Alleen door dit
stervende, bloedende Lam is er vergeving bij God. Zijn Zoon heeft door Zijn lijden aan al Zijn hoge eisen voldaan. En nu wil de Heere om het bloed van Christus van harte vergeven. Laten we toch niet gering denken van Zijn bereidheid om te vergeven, die voortkomt uit de liefde van Zijn hart. Laten we de kracht van Christus’ bloed niet klein achten. Er is vergeving bij God voor schuldige mensen, die de dood verdienen en voor God niet kunnen bestaan. Hoe groot onze schuld ook is. Zijn genade is altijd nog groter. ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’( Jesaja 1:18). Wat is het nodig onze nood en verlorenheid te leren kennen en van harte te belijden: ‘Zo Gij HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan…’ Wat is het óók nodig zicht te krijgen op de barmhartigheden van God om te pleiten op de liefde van Zijn hart: ‘Maar bij U is vergeving….’ Dan zullen we ook eerbiedig vragen: ‘HEERE, spreek tot mijn hart en zeg: Ik
ben uw heil!’ Dan zullen we ootmoedig belijden en bidden:
‘Hij maakt, op hun gebeden, gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden; zo doe Hij ook aan mij’
Prof. dr. A. Baars

Gods geboden

“Zijn geboden zijn niet zwaar!”
1 Johannes 5:3

Is dit niet een opmerkelijk woord? Gods geboden zijn niet zwaar? En zij vragen toch zoveel! Ze zijn zo alles omvattend! Om nu maar te blijven in de gedachtekring van Johannes, de apostel der liefde: Gods geboden vragen een liefde tot de Heere met geheel ons verstand, met geheel onze ziel, met geheel ons gemoed en met al onze krachten. Gods geboden willen vervuld worden in volmaakte liefde. In een liefde die zich openbaart in een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Gods geboden vragen ook liefde tot onze naaste. Een liefde die ongeveinsd is, oprecht, hartelijk, blijvend, altijd vergevingsgezind, ootmoedig. Ze vragen zelfs een liefde tot hen die ons vijandig bejegenen, zodat we vurige kolen hopen op het hoofd van degenen die onze ondergang bedoelen!
Johannes, hoe kunt u dat nou zeggen: “Zijn geboden zijn niet zwaar”? Daar komt nog iets bij! God komt met Zijn alles vragende geboden tot ons, kleine, zwakke, zondige mensen, die van zichzelf toch onbekwaam zijn tot enig goed werk en zelfs geneigd om zowel God als de naaste te haten in plaats van lief te hebben en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden. Die geboden komen tot ons, van wie het toch geldt: ”Onze kracht is klein, de driften veel, het hart onrein”? Moet zelfs de apostel Paulus niet belijden: “Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij bij”? En zijn wij dan allen van nature niet “vleselijk, verkocht onder de zonde”? Nog eens, Johannes, hoe kunt u nu zeggen: “Zijn geboden zijn niet zwaar”?  En toch is het waar! Want er is lust bij Gods kind en er is kracht bij de Heilige Geest! Er is lust bij Gods kind. Als de Heere een zondaar vernieuwt en Zijn liefde in zijn hart uitstort, dan wordt het zijn lust om de Heere te vrezen en in Zijn wegen te wandelen en om Gods geboden te bewaren, om die te doen uit dankbaarheid. Welnu, een werk dat overeenkomt met iemands verlangen valt toch niet zwaar? De wedergeboren zondaar heeft een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens. Hij heeft Gods geboden( niet één uitgezonderd) hartelijk lief. Hoe zouden dan die geboden zwaar kunnen zijn voor iemand die er
door genade lust in vindt? In de dienst van de Heere vergrijsde Johannes: het is toch waar! Gods geboden zijn niet zwaar! Althans, en zo is het bedoeld: voor degenen die lust kregen om de Heere te vrezen! Er is lust bij Gods kind! Er is kracht bij de Heilige Geest. Ja, dat ook! Hoe zwaar een last op zichzelf ook mag zijn, de zwaarte komt
niet in aanmerking, als er maar genoeg kracht aanwezig is. Wat een kind niet kan dragen, tilt een man met het meeste gemak op. Gods geboden zijn niet zwaar! O ja, zonder genade haten wij God en Zijn geboden en zullen we er eens onder verpletterd worden. Maar waarom vallen Gods geboden ook Gods kinderen nog vaak zo zwaar? Omdat ze maar al te dikwijls “naar het vlees” wandelen en niet “naar de Geest”. Omdat de “oude mens” met zijn zondige begeren maar al te dikwijls boven drijft. Omdat ze gedurig weer proberen in eigen kracht Gods geboden te doen.
Omdat zij maar al te weinig bereid zijn om zichzelf te verloochenen. Omdat…maar waar vind ik het einde? Wat
klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden… En toch, wanneer we door genade mogen behoren tot degenen die de Heere liefhebben en dus door een waar geloof aan Christus verbonden mogen zijn als een levende rank aan de Wijnstok, dan zegt ons hart ‘amen’ op dit woord van de apostel: “Gods geboden zijn niet zwaar!” En we verstaan de dichter helemaal en stemmen er hartelijk mee in Psalm 19:24 berijmd ‘k Zal Uw geboon, die ik oprecht bemin Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten Ik reken die mijn allergrootst gewin Ik grijp ernaar en zal er heil uit wachten Ik heb ze lief en zal met hart en zin Al ’t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten.
Wijlen ds. M. Vlietstra

Onbekende schuld

“En het zal hun vergeven worden, want het was een afdwaling en zij hebben hun offerande gebracht.”
Numeri 15:25m

In het woord afdwaling gaat het hier eigenlijk over het onwetende zondigen. Dat is dus zonde te doen zonder te weten dat het zonde is. En er is niemand onder ons, die aan deze zonde niet schuldig staat. We kunnen zoveel doen en laten, misschien wel te goeder trouw, doch zonder te weten dat het voor God bestaan kan. Neem eens aan dat de Heere ons al de zonden zal vergeven, die aan ons bekend zijn. Die zijn véle. Overdenk ze maar eens van uw jeugd af. Maar dan zijn daar ook nog de overtredingen, die we zelf niet voor zonde hebben aangezien en die voor Gods aangezicht als een open schuld moeten blijven liggen. Ook een ontdekte zondaar zal tranen tekortkomen om alle zonden te bewenen, want dan zijn er nog de verborgen afdwalingen, die hij zelf niet heeft onderkend en waarvan de dichter spreekt in Psalm 19. Als daarom de genade alleen maar genoeg was voor de aan u bekende zonden, dan
zou het toch nog een verloren zaak zijn zelfs met al de beleden schuld. Daarom moet ook deze schuld bij de Heere verzoend worden. Uit onze tekst blijkt, dat God toch ook een offer vraagt voor al wat in onwetendheid is geschied. De heilige wet eist voldoening van alle zonden. Nooit zal iemand met onwetendheid zijn schuld kunnen bedekken. Zo is er dan bloed nodig voor veel méér dan een zondaar dat zelf weet. Maar wee degenen, die daarin een reden vindt om daaronder gerust te zijn. Want als we daarvan een rechte indruk krijgen, we zullen bang voor onszelf worden. Bang voor ons bestaan, dat in blinde onkunde Gods Geest zo bedroeven kan zonder het zelf teweten. Dan zegt u: “Heere, doorgrond mij, en zie of er bij mij een schadelijke weg is”. Maar ziet, nu lezen we hier in Gods Woord: “En het zal hun vergeven worden”. Dus de Heere heeft ook aan onbekende en onbeleden schuld geacht. Kan de liefde Gods nog verder gaan? De kinderen Israëls moesten voor hun onbekende zonden een offer brengen. En nog vraagt God een offer van Zijn volk voor deze schuld. Niet een offer van dienen, maar een offer des harten, zodat ik ook mijn naaste kan vergeven, die mij in onwetendheid soms zoveel smart kan aandoen. Dat offer zal gebracht kunnen worden naarmate de onwetende zonden voor God tot schuld worden. Ook aan deze vrucht wordt de boom gekend. Onbekende zonden. Nu wordt een zondaar nog groter zondaar dan hij dacht te zijn. Maar nog is er dan geen reden tot wanhoop, want nu heeft diezelfde God in het enige Offer voorzien. Geen verontschuldiging voor onwetende zonden, maar toen dat Offer aan het kruis werd gehangen, was Zijn eerste bede: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Deze Hogepriester hebben we nodig, lezers. Die ook voor de onwetende zonden is gestorven en Die in Zijn voorbiddend werk ook aan de verborgen afdwalingen heeft gedacht. Wat is God dan toch groot in het werk der verlossing. Als de zonde al groter wordt, dan wordt de verlossing al groter. Hier worden de blinden geleid in een weg, die zij niet geweten hebben, want er moest veel meer vergeven worden dan zij wisten.
Wijlen ds. F. Bakker