Nieuwjaarsverwachting

“Ziet des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen,
op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen”.
Psalm 33:18

Wie Psalm 32 en 33 achter elkaar leest, zal bemerken dat deze beide psalmen bij elkaar horen. Het slot van Psalm 32 sluit eigenlijk direct aan bij het begin van Psalm 33.

David, de psalmdichter, roept de rechtvaardigen op de lof des Heeren te bezingen. De Heere, de Schepper van het heelal. De Heere is de Almachtige, Die maar te spreken heeft en het staat er. Hij is ook de Alziende. Hij schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen. Niet één van al die miljoenen mensen kan zich aan Zijn oog onttrekken. Niets ontgaat Hem.
Laagvliegende vliegtuigen kunnen zich soms nog aan radarschermen onttrekken. Verborgen camera’s of röntgenfoto’s kunnen soms bepaalde zaken toch niet signaleren. Zijn Goddelijke ogen doorlopen de ganse aarde. Al bedden zij zich ook in de hel. Al woonden zij ook aan het uiterste van de zee, de Heere ziet iedere sterveling. Houden we daar wel echt rekening mee?

De tekst van onze meditatie begint met het woordje ZIET. Dat wijst op het opmerkelijke. Dat wil ons er op wijzen dat we er zo maar niet overheen moeten lezen. Tegenover het feit van Zijn alziendheid moet het opmerkelijke van onze tekst uitkomen: “het oog des HEEREN is over degenen, die Hem vrezen. De Heere spreekt op mensvormige wijze over Zichzelf. God is een Geest. Hij heeft geen lichaamsdelen. Om iets van Zichzelf te openbaren, spreekt de Heere over Zichzelf als of Hij een mens was. Zo buigt de Heer Zich neer tot ons opdat wij Hem zouden kunnen begrijpen. De ogen zijn niet alleen menselijke zintuigen om de zaken om ons heen waar te nemen. Ogen worden ook genoemd de spiegel der ziel. Ons oog verraadt vaak, zonder dat we soms één woord gezegd hebben, wat er in ons binnenste leeft. Wanneer de Heere belooft: “Mijn oog zal op u zijn’, dan belooft Hij met Zijn gunst en zorg die mens te omringen. Zijn oog spreekt dan van Zijn gunst en welbehagen. De ogen des Heeren kunnen echter ook van Zijn toorn en gramschap gewagen. In Amos 9:8 lezen we: ‘Ziet, de ogen des HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk’.

Het zal dan wel duidelijk zijn in welke zin de Heere hier zegt dat Zijn oog is over degenen die Hem vrezen. Hij ziet in welgevallen neer op zulke mensen. Het zien op degenen, in wie de Heere een behagen heeft, is ook een veelomvattend zien. Wij moeten soms aanzien dat geliefden lijden, pijn hebben en een smartelijke weg moeten gaan, zonde dat we iets kunnen doen ter verlichting. Zulk een zien is bij de Heere niet mogelijk. Prachtig wordt dat verwoord door de opstellers van de Heidelberger Catechismus in antwoord 128: ‘Zulks alles bidden wij van U, DAAROM, dat Gij als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven de wil en het vermogen hebt’. Wat zijn het nu voor mensen op wie de Heere Zijn oog wil slaan? Onze tekst spreekt van mensen, die vrezen en hopen op Zijn goedertierenheid. Dat zijn mensen, die met eerbied en een heilig respect voor de Heere vervuld zijn. Zij werden door Woord en Geest staande gehouden op de weg van vijandschap en opstand tegen de Heere. Zij moesten God gaan erkennen in Zijn waarheid, heiligheid en rechtvaardigheid. Zijn Woord en Wet moest hen en al het hunne veroordelen. Slaafse vrees stoot af. Slaafse vrees doet ons degenen, voor wie we vrezen, mijden. We gaan hem zoveel mogelijk uit de weg.

De kinderlijke vreze, die hier bedoeld wordt, de vreze des Heeren, trekt juist tot de Heere aan. Doet ons vallen aan Zijn voeten. Door Goddelijke liefde is het hart verbroken en zo moet het zich uitleveren aan de Heere. Met de koorden der veroordeling om de hals. Met Esther wordt het ingestemd: ’Wanneer ik omkom, zo kom ik om’. Zo vrezen zij de Heere, zo hopen wij op Zijn goedertierenheid. Zij hopen niet op iets van zichzelf. Nee, zij moeten juist wanhopen aan zichzelf. Al het hunne ging er aan. Hun eigen verwachtingen werden juist afgesneden. Maar zulken krijgen goede gedachten bij God. Bij Hem is goedertierenheid, Dat wordt hun hoop.

Voor degenen die de Heere nog niet vrezen en die op Zijn goedertierenheid nog niet hopen, bevat de tekst een ernstig vermaan. Gods oog, dat alles ziet en waarneemt, is niet in gunst op hen geslagen. Nee, de psalmdichter zegt: ‘God slaat een gram gezicht op bozen die Hem tegenstaan’.
Dat betekent dat Zijn ogen gelijk een vlam vuurs hen zullen verteren. Welk een lankmoedigheid dat Hij u wel ziet en – nog – verdraagt! Hoor hoe daar de roepstem van de Heere nog klinkt: bekeert u, bekeert u, waarom zoudt gij sterven?

Maar….hoe kom ik bij dat volk, dat de Heere vreest en op Zijn goedertierenheid hoopt? Is dat een heilbegerige vraag, die in uw hart leeft? Ach, luister dan eens naar dat volk en vraag het hen eens! Zij kunnen niet getuigen van hun eigen krachtsinspanningen. Nee, zij kunnen alleen getuigen van Gods goedheid en genade. Want ziende op zichzelf, op hun zonde en afmakingen, moeten ze vrezen dat de Heere ook op hen met toornende ogen moet neerzien. En dan zouden ze Gode niets ongerijmds kunnen toeschrijven. Maar wanneer ze het oog weer eens op de Heere mogen slaan en wanneer het door Gods Geest in hun hart mag klinken:’ Mijn oog zal op u zijn’, als ze door dat Goddelijk oog zich belonkt weten, dan komt het zo anders te liggen. Hoe is het nu mogelijk dat de Heere, Die zegt geen zonde te zien in Zijn Jakob en geen overtreding te zien in Israël, Zijn oog doet zijn op dat volk? Ja, dat is het wonder van genade, hetwelk door het verstand niet is te bevatten.

Het oog des Heeren was in toorn gewend op Zijn eigen zoon. Hij, Die Borg en Middelaar wilde worden voor een schuldige Jakob, voor een doemwaardg volk, is door Gods toorn verteerd. Hij werd tot zonde gemaakt. Om hun ongerechtigheden werd Hij verbrijzeld. Hij, Die geen zonde gekend noch gedaan heeft! Door het bloed van het Lam Gods ziet de Heere geen zonde en geen overtreding in Zijn volk. Door dat bloed des kruizes is er vrede en verzoening.
Daardoor kan een bedroefd en verslagen volk verblijd en verheugd worden: Uw aangezicht in gunst tot mij gewend, schenkt mij in ’t kort verzadiging van vreugde.

Ds. A. van der Weerd

Gezangen voor onderweg

‘Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest’
Psalm 119:54

De dichter van dit alfabet op rijm ziet zijn leven als een reis. Hij is onderweg. Waar vandaan en waar naartoe? Waar hij naar op weg is, is zijn Thuis. Nog weer anders gezegd: hij wandelt over de smalle weg die naar de hemel leidt. En hij zingt! Zingend onderweg.
Waarom? Wel, hij let op wegwijzers die hem de weg wijzen. Wegwijzers op beslissende kruispunten die hem bij de hand nemen en hem waarschuwen en bewaren voor verkeerde keuzes. Zo zingt hij al wandelend: Leer mij, o HEER’, de weg door u bepaald.
Bij de laatste woord moet u letterlijk aan palen denken( zoals in Psalm 25 ’s HEEREN goedheid kent geen palen). God Zelf heeft de weg bepaald, voorzien van grenzen waarbinnen veiligheid is. Wie deze bepaling veronachtzaamt, dreigt ieder moment van de weg te raken. Heeft de HEERE zo Zijn geboden niet bedoeld? Zeker, ze beperken in zekere zin onze bewegingsruimte, maar dan wel met het oog op ons heil, ons leven en welzijn. Wat is de zonde toch dwaas. Ik bedoel, wat zijn wij als zondaren toch dwazen. Ons besef van heiligheid en veiligheid is totaal verdwenen. Daarom ergert ons natuurlijke hart zich aan al die wegwijzers. Het is net zo dwaas als de gedachte dat een vangrail langs een ravijn lastig is en onze vrijheid beknot…
De dichter van Psalm 119 is bevrijd van deze last. Hij zingt over deze wegwijzers. Gods geboden zijn z’n gezangen voor onderweg. Waarom? Het geheim van deze dichter is dat hij onderweg is en in de voortdurende aanwijzingen zijn God ziet en hoort. Immers, Gods geboden openbaren Gods karakter. Wie God liefheeft, bewaart daarom Zijn geboden. Hij wil de HEERE behagen. Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar. ( 1 Johannes 5:3). Als dat leeft, ga je er wel van zingen. Het zijn Geestelijke gezangen. Het is immers de Geest Die Gods Wet in het hart schrijft en zo wordt het waar: Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen,…..(Ezechiël 36:27).
Eén zong het hoogste lied tijdens Zijn reis. Zonder één wanklank bezong Hij Zijn leven naar de wil van Zijn Vader. Voor Hem was het ten volle waar: Uw geboden, Mijn gezangen. Wel, waar Zijn Geest werkt, maakt Hij gelijkvormig aan het beeld van deze Zoon. We stemmen in en leren meezingen. En wat doet het dan pijn, als we nog zo vaak merken dat we wegwijzers negeren. Soms onbewust, soms zelfs bewust. De dichter weet er zelf ook van. Het slot van het lied geeft dat aan. Als een schaap gedwaald. Toch het gebed: zoek Uw knecht.
Het hoogste lied zingen.
Het hoogste lied zingen, dat leren we alleen als wij een toontje lager leren zingen. Daar waar we zien dat onze overtredingen de Zoon verbrijzelen. Daar waar het hoogste recht voltrokken
wordt. Hij Die volmaakt leefde, hing als een vervloekte aan het kruis. Gods geboden liefhebben als gezangen uit liefde tot God zal er alleen kunnen zijn als we zien op het bloed dat Hij gestort heeft tot reiniging van alle zonden. Het bloed dat de stem van de aanklacht van de wet tot zwijgen brengt. Zingend onderweg kan alleen als we over de kruisweg gaan.
Hebben we onze eindbestemming voor ogen? Voor een weinig rust hier op aarde tijdens uw vakantie? Zo ook voor een eeuwige rust in de hemel na uw levensreis? Goede reis!

Prof.dr. M.J. Kater

Zalig worden

“…en de kracht Zijner opstanding”
Filippenzen 3:10

De apostel Paulus schrijft over de kracht van de opstanding van Christus. Hoe groot die kracht is, blijkt op de Paasmorgen. Christus’ opstandingskracht gaat boven alle aardse krachten en machten uit. Christus was gebonden in de banden van de dood. Wie kan die kracht stukbreken? Groot en alles overheersend is de macht van de dood. Geen mens kan die teniet maken. Christus wel. Hij triomfeert. Vanwege Zijn eigen goddelijke kracht.

De prediking van de opstandingskracht van Christus is een kostelijk evangelie. God Zelf heeft voor de blijde boodschap gezorgd. Aan onze kant is het hopeloos. Wij liggen midden in de dood, een drievoudige dood. De eeuwige, geestelijke en tijdelijke dood zijn wij onderworpen. Dit door onze diepe val. Gebonden onder de macht van de zonde en de dood. Eén ding is noodzakelijk, namelijk de aanraking met de opstandingskracht van Christus in mijn hart. Dat is de wedergeboorte, de levendmaking.

De altijd durende doodsnacht hebben wij verdiend. God doet geen onrecht. Maar nu is er de verkondiging van de opstandingskracht van Christus. Bid, smeek om het kennen van die kracht; pleit om uws levenswil op Gods genadige toezegging. Christus moest opstaan. Het recht daartoe verwierf Hij door Zijn kruisdood.
Maar Christus’ opstandingskracht is niet slechts tot levendmaking, maar ook tot heerlijkmaking. Dat is het uiteindelijke doel. De nieuwe, herstelde mens. Beelddrager van God, Profeet, Priester en Koning volkomen weer beantwoordend aan het scheppingsdoel. God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Niet alleen de ziel, maar ook het lichaam. Begrijpt u goed wat het is Christus’ opstandingskracht te kennen. Dat houdt de ondergang, de totale ondergang van mijzelf in de dood van het vlees, de dood van het “Ik”. Wie die opstandingskracht begeert te kennen, begeert iets dat dwars tegen eigen begeren ingaat. Een begeren dat alleen voortvloeit uit de waarachtige bekering tot God. Een begeren dat door de Heilige Geest gewerkt wordt.

Een godsdienstig mens, die door werken wil opklimmen, laat de boodschap van Christus’ opstandingskracht liggen. Hij is er een vijand van. Wie zich heiligt naar eigen kracht, naar eigen idee, laat ook deze boodschap liggen. Wie nog leeft in de verwachting van zichzelf, van het vlees, wie nog hoopt dat het vlees bekeerd wordt, doet desgelijks.

Kent u de zonde als zonde tegen God? Kent u het overgebleven vlees, dat Gode-vijandige vlees, dat zich de wet van God niet onderwerpt, omdat het niet kan? De Heilige Geest werkt in al Gods kinderen de hartelijke begeerte om heilig te zijn, een leesbare brief van Christus te zijn, de verborgen omgang met God te kennen, God niet meer te bedroeven, de Heilige Geest niet meer te smarten, volmaakt te zijn.

Hoe kunnen de worstelingen om de heiligmaking tot moedeloosheid, teleurstelling en droefheid leiden! Doch welk een troostboodschap is dan de boodschap van Christus’ opstandingskracht. Een heerlijke troostboodschap. Het gaat er niet om hoe groot de kracht van de zonde en de dood is in u, maar hoe groot de opstandingskracht van Christus is. Die kracht is alle dood overwinnend. Die kracht zal triomferen. Kunt u niet meer zalig worden, omdat u al meer ziet de innerlijke verdorvenheden, omdat u al meer ontdekt wordt aan de bron van uw wanbedrijven, spreek dan eens na: Ik geloof de kracht Zijner opstanding. Is dat werkelijk uw begeerte, uw stil verlangen, uw gebed. Houd dan aan, grijp moed, want dan zal het eens van binnen gaan zingen: “Wij steken het hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen, door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen”.

Wijlen ds. P. van Zonneveld

Een getrouw Woord

Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
1 Timotheüs 1:15

Hij, Christus Jezus, is gekomen. In dat ene woord “gekomen” zit de rijkdom van het kerstgebeuren. Die rijkdom zit niet in een paar vrije dagen, in een kerstdiner, in een gemaakte kerstsfeer. Als dat ons kerstfeest is dan komen wij na het feest weer in dezelfde grauwheid terecht als voor die tijd. Dan is er in wezen niets veranderd.

Maar Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. Christus Jezus is gekomen. God heeft de gegeven belofte in de kerstnacht vervuld. Reeds in het verloren paradijs luidden de kerstklokken. Ze klonken telkenmale onder het Oude Testament. In de volheid des tijds heeft God de belofte heerlijk vervuld. Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt. God is een Waarmaker van Zijn Woord. Zou Hij spreken en het niet doen? In de kerstnacht moogt u weten Wie God is. Al wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan! Daar hoeft u nu nooit aan te twijfelen. Wie dat wel doet, maakt God tot een leugenaar.

Hij, Christus, is gekomen tot de wereld. Neen – niet tot de sterren, niet tot de wolken. Hij is gekomen tot de wereld, de plaats waar wij zijn. Temidden van ons is Hij gekomen. De wereld dat is de kosmos, Gods schepping. Door u en mij, het pronkstuk van de schepping, de wereld uitgespeeld in de handen van Gods grote wederpartijder. De kosmos is wingewest van satan geworden. Hij heer en meester. Hij de zeggenschap en de heerschappij over schepping en schepsel. Maar alzo lief heeft God Zijn kosmos gehad. Neen – God doet geen afstand van Zijn schepping. Die blijft Zijn wereld. Daar geeft Hij het bewijs van in de kerstnacht.

Christus Jezus is in de kerstnacht gekomen. Hier is Zijn ambtsnaam en Zijn persoonsnaam. Hij is Christus de Messias, de Gezalfde. Hij wordt door Zijn Vader gezonden. God staat centraal. Het Kind in de kribbe is Gods gave. Zijn enige Zoon. Daarom Gods grootste gave. Gods Zoon komt met goddelijke volmacht. Aangesteld, verordineerd en bekwaam gemaakt om Profeet en Priester en Koning te zijn.

Als Profeet heeft Hij de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard. Als Priester heeft Hij het offer gebracht, het offer om met God verzoend te worden. Als Priester treedt Hij tussen bij de Vader. Hij is biddende Hogepriester. Hij is geworden de grote Koning. Door Zijn Geest maakt Hij tot onderdaan van Hem. Hij als Koning beschut en bewaart al de Zijnen. Deze Christus is nu Jezus. In die ene naam wordt aangegeven Wie en Wat Hij is.

Hij is Zaligmaker. Dat wordt in de tekst ook gezegd. Hij is gekomen om de zondaren zalig te maken. Heel duidelijk wordt hier aangegeven het doel van Zijn komst. U moogt weten waartoe God Zijn Zoon heeft gegeven. U moogt weten waarom de Heere Jezus gekomen is.

Bent u zondaar voor God geworden? Hier wordt onze naam genoemd, die naam is zondaar. Allen afgeweken; allen Gods heilige wet overtreden. Door niets gedwongen. Moedwillig en vrijwillig. Evenwel – we zijn van onszelf zo blind. We menen te weten en te zien. Echter – alleen door de Heilige Geest Die Jezus verworven heeft, door die Geest gaan we kennen en zien. Ja – dan worden we gebracht van de zonden naar het zondaar-zijn. Vleselijk en verkocht onder de zonde. Van dat vlees kan ik mijzelf nooit ontdoen. Wat een wanhoop kan er zijn in het leven van een ontdekte zondaar. O mijn zonde, mijn zonde; al Gods geboden zwaar en menigmaal overtreden. Naar Gods recht een geopende hellepoort, de eeuwige rampzaligheid, de eeuwige dood verdiend. Is er nog een middel om de welverdiende straf te ontkomen en wederom tot genade te komen? O wat wordt de boodschap dat Christus Jezus gekomen is om zondaren zalig te maken dan onuitsprekelijk rijk. O ik ben er zo’n vijand van om te worden die ik ben. Ik wil niet in de totale onmogelijkheid aan mijn kant terecht komen. Maar ‘t is zo rijk om het te leren. Dan blijft alleen over de van God gegeven Zaligmaker, ‘t Geschenk van het Alvermogen. Om ons van zond’ en ongeval te ontslaan.

Zaligmaken kan dat dan? Waar blijft God met Zijn recht? Maar aan dat recht wordt volkomen genoeg gedaan. Hij reeds in de krib verdoemelijk voor God. Al de zonden van het volk van Gods welbehagen overgenomen. Hij in de plaats gaan staan. O bij de krib een zalige ruil. Hij in mijn plaats. Neen – mijn zonden blijven niet ongestraft. God heeft ze gestraft aan Zijn lieve Zoon, met de smadelijke en bittere dood aan het kruis. Zalig maken neen – dat geschiedt niet goedkoop. Dat heeft God Zijn Zoon gekost, en dat heeft Zijn Zoon Zijn leven en Zijn bloed gekost.

Hoe zwarter u wordt, des te schoner wordt Hij. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Om zondaren zalig te maken, dat is het kerstlied. O ziet u die onuitsprekelijke liefde? Hij in het duister, opdat u eeuwig in het licht zou zijn. Hij neemt de vloek en de toorn over. Zalige ruil. Dat is nu echt kerstfeest. Komt verwondert u hier, mensen! Zalig maken dat is eeuwig in het Vaderhuis! Eeuwig het lied van de vrije gunst. In mij niets, in Hem alles. Om God eeuwig groot te maken.

Ds. P. van Zonneveld (1928-2017)

Liefde tot het einde

“…zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde”
(Johannes 13:1b)

Niet zonder ontroering heeft de apostel der liefde, Johannes, dit woord neergeschreven. Hoe kan het anders als iemand ogen heeft gekregen voor die liefde. Als men zelfkennis heeft en als men het voorwerp is van die liefde dan begint het van binnen te trillen. Dan worden de snaren van de ziel aangeraakt. Zelfs een rokende vlaswiek begint dan weer te branden. De as wordt er door omgewoeld en de vlammen schieten er weer uit.
Deze liefde is onvergelijkbaar. Mensenliefde kan hier niet dienen tot een voorbeeld. O, zeker, wij hebben ook lief. De man tot zijn vrouw en omgekeerd. Maar onze liefde zit vaak zo vol van zelfzucht. Onze liefde hangt zo sterk af van het voorwerp van onze liefde.
Als de liefde van Christus zou afgehangen hebben van de liefde van de Zijnen, bijvoorbeeld van Petrus in de hof van Gethsémané, daar kon hij niet één uur met Christus waken. Als de Heere gebonden wordt, vlucht Petrus weg. In het huis van Kajafas zegt hij: ik ken de Mens niet.
Zou Jezus liefhebben als mensen, Zijn liefde zou al lang opgehouden zijn. Wij zouden het verzondigd hebben. Hij zou niet naar het kruis gegaan zijn en er had niemand zalig kunnen
worden.
Doch… Jezus heeft lief tot het einde. Dat betekent: liefde tot de hoogste graad, een volkomen liefde. Een liefde die niet te vergelijken is met mensenliefde. Het is een Goddelijke liefde. Hij heeft lief omdat Hij liefheeft. Het is al uit Hem, uit het eeuwige welbehagen.
Liefgehad tot het einde. U ziet het in de opperzaal waar het Pascha staat aangericht. Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was. Het uur van de bittere en smadelijke dood des kruises. Het uur van het volkomen uitdrinken van de drinkbeker van de toorn van God over de zonde. Het uur van de nederdaling ter helle. Het verlaten worden van Zijn Vader. De hemel zwart vanwege de toorn van God. Al Gods golven en baren zullen over Hem heengaan.

Maar de Heere Jezus denkt niet aan Zichzelf, aan al het bittere dat komen zal. Hij denkt aan de Zijnen. Hij heeft ze zo lief dat Hij Zich onder hen stelt. Hij gaat hun voeten wassen. Hier is de openbaring van de volkomen liefde.
Die liefde klimt al hoger naarmate Hij dieper gaat. Het as al begonnen in de hof van Gethsémané. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
Die blik vol liefde in het huis van Kajafas naar die Hem verloochenende Petrus. Dan die eerste kruisbede als Hij genageld is aan het kruis: Vader, vergeef het hun, want zij
weten niet wat zij doen.
Liefgehad tot het einde. Omdat Hij de gegevenen des Vaders wilde bevrijden van de vloek, van de hel, van de dood. Hij wilde hen zalig maken omdat Hij wilde dat Zijn Vader door de mond van de verlosten eeuwig zou verheerlijkt worden.
Liefgehad tot het einde. Hij gaat in hun plaats staan. Geheel en vrijwillig. Gedreven door Zijn liefde. Hij zet de drinkbeker van de toorn van God over de zonde aan de lippen. Gedreven door Zijn liefde.
Zeker, Hij heeft gehuiverd. Vader, indien het mogelijk is…! Maar Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. Daarom: de drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal ik die niet drinken?
Liefgehad tot het einde. Daarom heeft Hij Zich laten binden, laten geselen, laten kruisigen, daarom hangt Hij tussen twee moordenaars, daarom geeft Hij Zijn bloed, daarom gaat Hij de dood in, daarom geeft Hij de geest.
Wie is bekwaam om deze liefde te meten? Haar breedte, haar diepte, haar hoogte en lengte. Ze is onmetelijk. Kent u iets van deze liefde? Dan komt er een grenzeloze verwondering en aanbidding. Dan komt er een wederliefde in het hart. Dan mogen we ziel en lichaam neerleggen op het dankaltaar.

Heeft deze eindeloze liefde uw hart al verbroken? Bent u al wenend aan Zijn voeten gekomen? Mag u het ervaren in uw hart: Hij heeft mij liefgehad tot het einde en daarom alleen kan ik zalig worden.

Ds. P. van Zonneveld

Wijs mij Uw wegen

“HEERE! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.”
(Psalm 25:4)

Wat is het vragen en zoeken naar de juiste weg van groot belang. In allerlei levenssituaties en op bepaalde momenten van ons leven. Wij onderkennen het belang van de goede weg in vakantietijd. Wie ooit verdwaalde in een vreemd land, weet erover mee te spreken.
Het inslaan van een verkeerde weg kan soms fatale gevolgen hebben. Maar er zijn nog andere belangen die min of meer bepaald worden door het gaan van een gekozen weg. Wie eindexamen deed, moet verder! Welk weg? Wie gaat solliciteren, moet selecteren! In welke weg? Jonge mensen, in verkeringstijd, overdenken hun weg. Als wij in het huwelijk treden, slaan wij een geheel nieuwe (levens)weg in. Waar zal hij heen leiden?
Wie lichtvaardig denkt over willekeurig welke weg, zal vroeg of
laat teleurgesteld of bedrogen uitkomen.
In onze tekst horen wij David bidden en vragen naar Gods weg.
Hier luisteren wij naar iemand, die door allerlei levenservaringen gerijpt, erachter is gekomen, dat eigen gekozen wegen schadelijk kunnen zijn en ons leven kunnen verwoesten. In dit gebed, want zo mag psalm 25 toch gelezen worden, voelen wij iets van de spanning aan van vertrouwen en vrezen. Een geestelijke spanning, die soms ervaren wordt, wanneer wij door schade en schande wijs geworden de ontdekking hebben gedaan dat onze wegen op niets uitlopen.
Zo komen wij aan het einde van de door onszelf uitgestippelde wegen.
Gods weg is zo volmaakt, zó mag David straks aan het einde van zijn leven belijden. Wie zijn leven een beetje kent, weet dat dát geen geringe zaak is om bij het terugzien op de afgelegde levensweg enkel te kunnen roemen in Gods volmaakte wijsheid. Bidden om Gods wegen, is vragen om Zijn leiding in ons leven. Vragen naar Gods wegen, is ons leven leggen in Zijn handen. Alleen genade brengt ons zover. Anders zal geen mens willen, dat een ander zijn levensweg bepaalt. De man naar Gods hart kende die levensgenade, ondanks de vele zonden, die er nog in zijn leven werden gevonden en konden worden aangewezen.
Mag u diezelfde genade kennen? Niet zo gemakkelijk om daar antwoord op te geven?
Als u op uzelf ziet, wanneer de zonde en allerlei zondige lusten nog zo’n grote plaats in uw leven innemen. Toch mag u het antwoord niet schuldig blijven. U moet het weten: “Ken ik deze genade?” U zult dan een biddend leven kennen. Dagelijks de ogen opheffen tot Hem, tot Wie David bad: “Tot U o HEERE! Hef ik mijn ziel op. HEERE! Maak mij Uw wegen bekend.”
Gods wegen kunnen ook wegen zijn, die wij niet verstaan. Wegen van ziekte en rouw, van beproeving en loutering door het lijden. Daarom moeten wij aan die korte bede wel toevoegen: leer mij die verstaan. Leer mij Uw paden! Leren, dat vraagt oefening in en door het geloof.
Het leren, dat David hier bedoelt, is niet in de eerste plaats een zaak van het verstand, maar van het hart. Want voor de kruisweg in ons leven komt ons verstand in opstand, maar wanneer ons hart werd ingewonnen om in al Gods wegen te gaan, dan begeren wij de HEERE te kennen in al Zijn wegen.
Dan is het niet meer het voornaamste of wij kunnen beoordelen wat nuttig en nodig is, maar dan gaan wij ook beleven wat het zeggen wil om ons te vernederen onder de krachtige hand Gods. De HEERE doet wat goed is in Zijn ogen. Wat een strijd kan dat oproepen in ons leven. Als Gods weg met ons in het heiligdom gaat. Dat betekent toch, dat wij Zijn weg niet altijd kunnen overzien, laat staan begrijpen. Om dan toch in geloofsovergave te mogen vertrouwen dat de HEERE Zich nooit vergist. Al wat God doet, dat is welgedaan. Het geloof komt tenslotte in de weg van het wonder terecht, waarop de bede van psalm 25 nooit zal verstommen:

HEER’, ai maai mij Uwe wegen
oor Uw woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G’ Uw treden wendt,
Leid mij in Uw waarheid leer
IJv’rig mij Uw wet betrachten;
Want Gij zijt mijn heil, o HEER’,
‘k Blijf U al den dag verwachten.

Ds. J.H. van Dijk (1950-2011)